Terug naar huis, naar de Talibaan

Tienduizenden Afghaanse vluchtelingen keren op het ogenblik uit Iran naar Afghanistan terug. Vrijwillig. Maar zenuwachtig. In de Islamitische Republiek Iran was het leven redelijk, maar wat zullen de Talibaan-heersers van Afghanistan brengen?

Bijna 2.000 Afghanen gingen deze week in het stoffige Dogharun vanuit Iran de grens met Afghanistan over, een onzekere toekomst tegemoet. Moe, bedrukt, voorzien van armoedige bundels verlieten ze Iran waar ze een paar jaar in betrekkelijk rust hebben doorgebracht. De meesten vluchtten vijf, zes jaar geleden uit Afghanistan naar Iran voor een offensief van de extreem conservatief-islamitische Talibaan, waarheen ze nu terugkeren.

Het gezin-Alloti is compleet. ,,Ons huis, in de buurt van Herat, is in 1994 verwoest en we zijn toen alles kwijtgeraakt'', zegt vader Alloti. ,,We hebben geen enkel idee wat ons te wachten staat.'' Alloti was boer. Zijn droom: weer op het land werk vinden.

Zijn vrouw is zenuwachtig. Ze draagt nog de islamitische hoofddoek op zijn Iraans, die alleen het haar bedekt. In Afghanistan, onder de Talibaan, is de burqa verplicht, de alles, ook het gezicht, verhullende tent-jurk. ,,We hadden het hier in Iran goed'', zucht ze.

De 13-jarige Zakereh is bedroefd. ,,Volgende week beginnen in Iran de scholen weer. Voor mij is er geen school meer'', treurt ze. In Afghanistan onder de Talibaan mogen meisjes niet naar school en vrouwen niet werken. Haar vader probeert haar te troosten, maar het lukt hem niet.

De metselaar Isma Belacha is optimistisch. ,,De situatie in Afghanistan wordt beter. Het land moet weer worden opgebouwd. We gaan elkaar allemaal helpen. Maar het is waar, we gaan met bedrukt hart weg uit Iran.''

Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR), dat op de repatriëring van Afghaanse vluchtelingen uit Iran toeziet, had de Afghanen uit zeven verschillende Iraanse regio's per bus naar Dogharun in het noordoosten van Iran gebracht. Allen hebben zich bereid verklaard terug te gaan. Te voet, in een lichte stofstorm, leggen ze de laatste kilometer af.

Aan de andere kant van de grens geeft het UNHCR iedereen een bedrag van 20 dollar, waarvan ze verscheidene maanden kunnen leven. Het UNCHR verzorgt ook vervoer naar hun vroegere woonplaatsen.

Aan de Afghaanse kant is er geen enkele controle. ,,Ze kunnen gerust zijn'', verzekert de lokale chef van de Talibaan. ,,Ze krijgen geen enkel politiek probleem. We ontvangen hen met open armen.''

Saideh Yasmin, 28, legt uit waarom ze naar Afghanistan terugkeert. ,,In Iran hadden we materiële zekerheid, ook al aten we bijna nooit vlees, en gezondheidszorg, school. Sommigen van ons gingen zelfs naar de universiteit. Maar we hebben besloten naar huis terug te gaan uit liefde voor ons vaderland.'' Ze duwt een karretje voort met een oud tapijt en wat kookgerei. Haar familie woont in de hoofdstad Kabul. Ze hoopt haar verwanten morgen terug te zien. ,,We worden heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees'', geeft ze dan toe.

In een vluchtelingenkamp in Torbat-e-Jam, enkele tientallen kilometers terug, organiseerden zo'n 7.000 Afghanen maandagavond een feest voor UNHCR-chef Sadako Ogata, die de afgelopen dagen Afghanistan en Iran bezocht. Uit dit kamp zijn circa 1.000 vluchtelingen naar Afghanistan teruggegaan sinds april, toen het akkoord inzake vrijwillige repatriëring werd gesloten in het kader waarvan nu inmiddels in totaal 100.000 Afghanen zijn teruggegaan.

In Iran zijn nog bijna anderhalf miljoen Afghanen achtergebleven, van wie sommigen al meer dan 20 jaar geleden vluchtten. De meerderheid van de vluchtelingen die nog in Torbad-e-Jam zijn, piekert er niet over om naar Afghanistan terug te gaan. ,,We zitten hier beter. We hebben zes scholen, artsen en we kunnen het goed vinden met elkaar'', zegt Abdul Nasir (50). De kinderen fietsen er rond en spelen voetbal. Het kamp is arm, maar er heerst geen ellende. Iran heeft bij de VN een goede naam op het gebied van vluchtelingenkampen. Met de hulp van het UNHCR en de Japanse regering zullen er in Torbad-e-Jam nieuwe huizen worden gebouwd. ,,Er is geen sprake van dat we hen met geweld gaan terugsturen'', zegt de directeur van het kamp, Morad Iskanderi. ,,We willen hen blijven helpen.''