Hollandse en Zeeuwse paradoxen

De traditie wil dat een film die op de openingsavond van het Nederlands Film Festival vertoond wordt, vervolgens een roemloze flop tegemoetgaat. Wilde mossels, het regiedebuut van de 37-jarige acteur, muzikant en scenarioschrijver Erik de Bruyn, zou wel eens een uitzondering op de regel kunnen vormen. Het is geen gemakkelijke film, maar een film die zowel een jong en wild publiek voor zich probeert te winnen als compromisloos zijn eigen weg gaat, wars van de gangbare opvattingen over hoe een Nederlandse filmmaker zich hoort te gedragen. Vooral dramatische wetten lapt De Bruyn aan zijn laars. Het resultaat is een bijna associatieve structuur, waarin wel tien verhalen door elkaar lopen, en geen van de personages volledig tot zijn recht lijkt te komen.

Het meeste reliëf krijgt nog Leen (Fedja van Huêt), als een Zeeuwse Hamlet worstelend met de geest van zijn overleden vader, de bezitterige liefde van zijn verre van onbaatzuchtige moeder (Will van Kralingen) en de keuze tussen Zijn of Niet Zijn. Net als Leen weet de kijker nauwelijks wat het zijn en het niet zijn vertegenwoordigt. Moet hij breken met een halfwassen bestaan, motorcrossend door Schouwen-Duiveland en rondhangend voor het enige dorpscafé? Of is het alternatief, aangedragen door een duivelse Ier, van roodharige meisjes in een gedroomd Dublin, niet meer dan een hersenschim?

Het knappe van De Bruyns filmstijl is dat de lamlendigheid van de provincie, de veilige beschutting van de verveling, van heldendom door over de sluis te springen met je Harley Davidson, van dagen die zich zinloos aaneenrijgen, bijna aantrekkelijk wordt.

De onorthodoxe structuur van Wilde mossels, meer Rebel without a Cause dan Spetters, wordt vooral gedragen door een spannende vormgeving. Het sublieme, gewaagde camerawerk van Joost van Gelder, toverend met filters en de ononderbroken lengte van scènes, staat ten dienste van een sterke mise-en-scène, die actiemomenten en verstilde sfeerschetsen terecht weigert te vermalen tot een snelle montage. De film duurt twee uur, en dat voelt zowel te lang als te kort: je zou sommige verhalen meer uitgediept willen zien worden, maar tegelijkertijd onderstreept de gelijkwaardigheid van hoofd- en bijzaken de indruk van zinloosheid en landerigheid.

Slechts een enkele keer vliegt De Bruyn uit de bocht, bijvoorbeeld in een al te gemakkelijk komisch effect sorterende, mislukte bankoverval. Ook de uitzonderlijke schoonheid en elegantie van Will van Kralingen lijken misplaatst in de klei van de Zeeuwse delta, maar juist daarom kan ze als geen andere Nederlandse actrice geloofwaardig maken dat Leen zich niet los van haar kan maken, en doof blijft voor een sirene van zijn eigen leeftijd (Angelique de Bruujne).

Waar Wilde mossels tekortschiet, gebeurt dat met meer allure dan gebruikelijk in een Nederlands speelfilmdebuut. Een talent als De Bruyn, die vijf jaar schaafde aan zijn film, is zeldzaam in onze filmcultuur, omdat hij onmogelijke uitersten verenigt: genrefilm en art-house-product, realisme en mythologie, vaart en contemplatie, regionalisme en universaliteit. Eigenzinnig en brutaal construeerde hij tegen de klippen op een vorm die recht doet aan Hollandse en Zeeuwse paradoxen. Wilde mossels is misschien niet de beste film van het jaar, maar wel de meest interessante, omdat De Bruyn zich laat kennen als een eigenwijs, niet-autistisch auteur. Als geen ander zou hij het negatieve imago van de Nederlandse speelfilm kunnen helpen bestrijden.

Wilde mossels. Regie: Erik de Bruyn. Met: Fedja van Huêt, Frank Lammers, Freek Brom, Will van Kralingen, Angelique de Bruijne, Josse De Pauw, Marina de Graaf, Hans Veerman, Melek Karasu, Martin Dunne. In: CineCity, Vlissingen en vanaf 29 september in het hele land. Openingsfilm Nederlands Film Festival.