Het koningschap

PRINSJESDAG, EEN naam die stamt uit de tijd van de Bataafsche republiek, toen het de toogdag annex protestdag van Oranjegezinden was, is niet het geschiktste moment om de monarchie ter discussie te stellen. Dat heeft minister-president Kok met zijn notitie over het koningschap dan ook niet gedaan. Integendeel, geheel in lijn met het oorspronkelijke karakter van de dag is het werkstuk dat Kok gisteren bij de begrotingsstukken leverde één grote steunbetuiging aan het koningshuis, met als conclusie dat geen enkele verandering van de positie van het staatshoofd gewenst is.

Het was D66-fractievoorzitter De Graaf die dit voorjaar de moedige aanzet tot de discussie over het koningschap gaf. Niet de monarchie als zodanig was in zijn ogen aan de orde – hoewel de heftigheid van de vele reacties anders deed vermoeden – maar louter de plaats van de koning binnen het constitutioneel bestel. Concreet gaat het dan om de koning als onderdeel van de regering, als voorzitter van de Raad van State en als `procesbegeleider' bij de kabinetsformatie. Posities waar, aldus De Graaf, de koning onnodig kwetsbaar is voor politieke kritiek.

De kernvraag is in wezen vanzelfsprekend een andere. Die luidt in hoeverre een volwassen democratie zich nog verhoudt met een staatshoofd dat die functie door vererving heeft gekregen. Zoals de voorzitter van de Vlaamse Liberale Democraten, De Gucht, het vorig jaar treffend uitdrukte: ,,Natuurlijk is de legitimatie van het bloed gedateerd''.

DIE VRAAG IS voor de overgrote meerderheid van de bevolking in Nederland niet aan de orde zolang de Koning zich schikt naar het gekozen bestuur. Toch gaat het daar ten principale om. Binnen de huidige verhoudingen heeft de Koning eigen beleidsruimte. Weliswaar is deze ruimte staatsrechtelijk afgedekt met artikel 42 van de Grondwet, waarin staat dat de Koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk zijn, maar dit neemt niet weg dat die eigen inbreng bestaat en vervolgens tot allerlei speculaties kan leiden.

Een moderne koning kent zijn plaats, maar wat is er op tegen die plaats formeel vast te leggen? Dat zou dan betekenen dat de Koning, zoals De Graaf heeft voorgesteld, geen deel meer uitmaakt van de regering. Maar in zijn notitie stelt Kok dat ,,binnen het constitutionele kader'' de Koning vanuit diens ongebonden en onpartijdige positie met vragen en opmerkingen een waardevolle rol kan vervullen binnen de regering. Alsof de regering in een open samenleving als de Nederlandse al niet voldoende vragen en opmerkingen krijgt.

Het voorzitterschap van de Raad van State is, zoals Kok erkent, een ceremoniële functie. Met andere woorden: het heeft inhoudelijk geen betekenis. De vraag is vervolgens wel waarom deze dan in stand moet worden gehouden. Ten slotte is er nog de rol van de Koning bij kabinetsformaties, die Kok evenmin wil wijzigen. Kok heeft gelijk als hij schrijft dat het de fracties in de Tweede Kamer zelf zijn die een eigen verantwoordelijkheid hebben bij dit proces. Maar ook hier geldt: waarom dat proces belasten met de `ingewikkelde' figuur van de Koning?

DE DISCUSSIE over het koningschap heeft veel weg van een academische. In zijn notitie doet Kok er alles aan dat beeld te bevestigen. Dat neemt niet weg dat in een democratie ook over hypothetische zaken gesproken moet kunnen worden. Vooral als het over de democratie zelf gaat. Helaas durft Kok dat niet aan.