`Gedogen een teken van zwakte'

Het diep in de samenleving verankerde gedogen stuit op kritiek, nu ook van jongeren. Sommige politici weten niet wat zij horen, en tonen zich blij verrast.

Dat er een eind komt aan het fenomeen `gedoogbeleid', zoals de politieke jongerenorganisaties deze week verlangden, lijkt voorshands niet erg waarschijnlijk: gedoogbeleid is in juni 1997 uitgebreid in de Tweede Kamer aan de orde geweest, naar aanleiding van een nota van de toenmalige van minister van Justitie, Sorgdrager. Een grote meerderheid van het parlement bleek zich toen te kunnen vinden in `gedogen' als beleidsinstrument.

Maar wél binnen een aantal door de minister geformuleerde voorwaarden: dat het een tijdelijk middel is, dat gedogen expliciet en (parlementair) controleerbaar gebeurt en dat het liefst voorkomen moet worden. Over het algemeen geldt dat gedogen pas aan de orde mag zijn, als handhaving van wetten zou leiden tot aperte onbillijkheden, of dat er met gedogen een achterliggend belang `evident' beter gediend is dan met handhaven.

,,My finest hour'', noemt het Tweede-Kamerlid Van de Camp (CDA) de verklaring van de politieke jongerenorganisaties. Hij diende bij het nota-overleg in 1997, dat overigens zeer levendig verliep, een motie in dat nieuw in te voeren wetgeving zó moest worden opgesteld dat de noodzaak van gedogen niet meer zou bestaan. Die motie ging in de Kamer kansloos ten onder. Van de Camp vindt het ,,heel goed'' dat de jeugd de politiek nu opnieuw aanspreekt op het gedogen, ,,dat toch een beetje onze zwakte (als wetgevers, red.) toont en een teken is dat de leer zwakker is dan de praktijk''. Het gedogen heeft onder andere zo'n hoge vlucht kunnen nemen, meent de CDA'er, ,,omdat in de paarse coalitie principiële debatten liefst uit de weg gegaan worden''.

,,Maar je hoort mij niet zeggen dat we zonder kunnen'', aldus Van de Camp, die – als overtuigd motorrijder – in het nota-overleg destijds een voorbeeld van gedogen noemde dat hem buitengewoon dierbaar was: dat het motorrijders vergund is langs autofiles te rijden, terwijl de Wegenverkeerswet eigenlijk zegt dat ze netjes in de file moeten wachten.

Kamerlid Van Heemst (PvdA), een andere tenor uit het debat van 1997, heeft het `verbaasd' dat de jongeren het onderwerp zo prominent weer op de agenda hebben gezet, maar hij is daar niet tegen. Een goede gelegenheid om er weer over te praten is, meent Van Heemst, de voor dit najaar aangekondigde nota Wetgevingskwaliteitsbeleid. ,,Handhaafbaarheid van wetgeving staat zeker op de politieke agenda'', en daarmee impliciet ook het gedogen. Deze praktijk kan worden teruggedrongen in de mate waarin de overheid wet- en regelgeving weet te moderniseren, aldus Van Heemst. Van enige achterstand van wetgeving in een zich snel ontwikkelende samenleving zal echter steeds sprake zijn, meent hij.

Volgens de PvdA'er past de verklaring van de jongerenorganisaties in de behoefte aan `meer regels', zoals die zich wel vaker manifesteert bij de jonge generatie. ,,Je ziet hoe de stemming verandert: tien jaar geleden was het absoluut not done om bij de gemeente te melden dat je afgestudeerde studenten kende die hun huurwoning met woonvergunning aanhielden en onderverhuurden. Nu zie je dat de Haagse wethouder Noordanus tegen zulk misbruik campagne voert.''

Overigens stond de Kamer in 1997 uitvoerig stil bij de geschiedenis van het gedogen in Nederland, dat vrij algemeen gezien werd als een nationale traditie, verbonden met de hang naar tolerantie. Voorbeelden van het gedogen van prostitutie reikten van de Zestiende Eeuw tot aan het negeren van het bordeelverbod uit 1991. Het verwijderen van dit verbod uit het Wetboek van Strafrecht per 1 oktober aanstaande maakt aan dit geval van gedogen overigens een einde.