De duif

Op het Spui zat een echtpaar van middelbare leeftijd een ijsje te eten. Het leek de laatste fraaie zomerdag van het jaar. Die morgen had de man misschien gezegd: ,,Laten we een dagje Amsterdam doen, het kan nu nog.'' Als oudere provinciaal ga je liever niet in herfst of winter naar die toch al zo onheilszwangere stad.

Het ijsje hadden ze gekocht bij een karretje vlakbij het Lieverdje. Je kon er ook hotdogs en zuurkool krijgen, zodat de ijseter zich zo snel mogelijk uit de voeten moest maken als hij niet overvallen wilde worden door een misselijkmakende melange van geuren. Wat zou het ijsconcern volgende zomer tevens in de aanbieding hebben? Spruitjes? Koolraap?

,,Daar zit Oster'', zei de man.

,,Wie?''

,,Oster. Fred Oster.''

Hij wees naar een terras aan de rand van het pleintje waar een kalende zestiger zat te praten met een man met een grote pet op zijn hoofd. ,,Die van tv vroeger.''

,,O, die'', zei de vrouw, maar ze was veel meer geïnteresseerd in een bruingrijze duif die tussen tientallen andere duiven rond haar voeten hipte. ,,Moet je kijken. Wat zielig.''

De man verplaatste met enige tegenzin zijn blik van de voormalige tv-coryfee naar de duif. Toen zag hij het ook: om het rechterpootje van de duif zat een blauw touwtje gewikkeld.

,,Straks knelt dat zijn pootje af'', zei de vrouw.

De man knikte afwezig. Duiven genoeg, scheen hij te denken. Maar zijn vrouw leek ervan overtuigd dat de Schepper er minder laconiek over had gedacht. Ze bukte zich om de duif op te pakken. De vogel sprong haastig weg. De vrouw stond op en deed weer een greep naar de duif. Ze viel bijna voorover omdat de duif haar opnieuw behendig ontweek.

Haar jacht kreeg nu iets verbetens, zoals je wel vaker ziet bij mensen die hun leven in dienst hebben gesteld van het een of andere heil. Ze bewoog zich schokkerig over het plein, telkens een duikvlucht ondernemend die ze halverwege moest afbreken omdat de duif haar met bijna Cruijffiaanse schijnbewegingen ontsnapte.

,,Doe ook eens wat'', riep de vrouw naar haar man.

Hij keek gegeneerd de andere kant op. Het vooruitzicht van een slapstickachtig tafereel met een bukkend en struikelend echtpaar te midden van ginnegappende toeristen op een druk Amsterdams pleintje lokte hem niet.

,,Heeft u nooit een duif gevangen?'' vroeg de vrouw in arren moede aan de ijscoman. Hij haalde lacherig zijn schouders op en gaf haar een leeg hoorntje: ,,Probeer het met wat kruimels.''

Maar de duif liet zich het leven niet redden, en de vrouw staakte haar pogingen. ,,We gaan naar huis'', zei ze mismoedig tegen de man. En ze gingen.

Fred Oster zat er nog, nu alleen, en aan zijn tevreden blik was te zien dat hij zich niet bewust was van het drama dat zich zojuist onder zijn ogen had afgespeeld.