Capitulatie van kabinet voor truckers schaadt de rechtsstaat

De truckers hebben hun zin gekregen, de blokkades zijn opgeheven. Door de snelle capitulatie van het kabinet, rijst de vraag wat andere beroepsgroepen belet om met botte machtsmiddelen hun doel te bereiken. Dat is geen wenkend perspectief, meent Wim Derksen.

Er lijkt al niets meer aan de hand. De truckers hebben hun blokkades opgeheven. De files hebben weer hun normale lengte aangenomen. En toch blijft de afloop van de dieseloorlog onbevredigend. De snelheid waarmee het kabinet is gecapituleerd voor botte machtsuitoefening van één beroepsgroep is slecht voor de democratische rechtsstaat. De hoogte van de belastingen wordt in het parlement vastgesteld en niet op de snelweg.

Bovendien is de afloop wel heel erg schrijnend voor de beroepsgroepen die werkelijk afhankelijk zijn van de overheid. Denk aan de leerkrachten op de basisscholen, aan de verpleging in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, aan de verloskundigen die vele nachten doordraaien en aan de beroerde werkomstandigheden in de thuiszorg.

Het rijtje is helaas, ondanks de maatschappelijke voorspoed van dit moment, gemakkelijk met andere aan te vullen. Er is wel een verschil. Onderwijskrachten en verpleegkundigen demonstreren hoogstens op het Malieveld, en halen het niet in hun hoofd om hun kinderen dan wel hun zieken het slachtoffer te laten zijn van een algehele werkstaking.

Tegelijkertijd laten de acties van de truckers zien hoe wankel het machtsevenwicht in de samenleving is. De overheid stond vorige week immers met de rug tegen de muur. De blokkades begonnen uit de hand te lopen. Tegelijkertijd werden ze zo goed georganiseerd dat de overheid niet anders kon dan machteloos toekijken.

Een permanente blokkade rondom een raffinaderij valt na een week van vruchteloos onderhandelen nog met fysieke kracht te breken (op voorwaarde dat de publieke opinie zich in meerderheid aan de zijde van de overheid bevindt). Elke poging om onverwachte en kortdurende blokkades te breken zou echter op een fiasco voor de overheid zijn uitgelopen. Onder druk van de blokkades moest de regering dan ook wel toegeven. Het laat tergend duidelijk zien hoe beperkt de macht van de overheid kan zijn.

Met de macht van de overheid is namelijk iets boeiends aan de hand. Op het eerste gezicht lijkt die macht verzekerd. De overheid beschikt immers over het zogeheten `geweldsmonopolie'. Formeel gezien mag alleen de overheid met geweld haar gelijk afdwingen. Toch is dit `maatschappelijk contract' tussen overheid en samenleving niet meer dan een afspraak.

Indien alle inwoners van Den Haag vanaf heden weigeren om de veel te hoge reinigingsrechten in Den Haag te betalen, is slechts één uitkomst denkbaar: zij zullen geen reinigingsrechten meer betalen. Als de burgers willen, is de overheid tandeloos. Maar de kern van de zaak is dat de meeste burgers de overheid niet op een botte manier onder druk wensen te zetten. Niet alleen omdat velen daartoe wellicht de moed ontbreekt. Maar vooral omdat de machtspositie van de overheid is ingebed in een stelsel van normen en waarden.

Het wordt als redelijk ervaren dat de overheid niet steeds haar macht moet bevechten. En de besluiten van de overheid worden als regel geaccepteerd. Om die reden is er bij de overheid ook geen sprake van macht, maar van legitimiteit en gezag. Het zijn niet de formele regels, maar de waarden en normen in de samenleving die maken dat het overheidsgezag wordt aanvaard, en maken dat de belasting in het parlement wordt vastgesteld.

Tegelijkertijd moet het gezag van de overheid wel worden `onderhouden'. De overheid moet het gezag steeds weer verdienen. En juist in dat opzicht is de snelle capitulatie van het kabinet teleurstellend. Wat let andere beroepsgroepen nu ook met botte machtsmiddelen hun zin proberen te krijgen? En met welk argument wijst de overheid deze nieuwe wensen af? Hoezeer de overheid ook met de rug tegen de muur stond (en reeds machteloos was), met deze afloop wordt geen gezag verdiend.

Dat maakt ook duidelijk dat de overheid met name in een eerdere fase had moeten optreden. Politici hebben wel gesputterd over de (ook relatief) hoge benzineprijzen in Nederland, maar wat heeft de overheid werkelijk gedaan om de kartels tussen de oliemaatschappijen te breken? Wat heeft de regering gedaan aan de marktwerking in de transportsector? Daar valt ook nog wel wat frustratie weg te nemen. Wat heeft de regering gedaan aan de wellicht noodzakelijke sanering van te kleine bedrijven in deze sector? En waarom heeft de regering niet eerder haar eigen accijnswinsten ter discussie gesteld? Had de overheid niet zelf moeten aangeven dat de belasting op benzine door de stijgende olieprijzen (de accijns immers een vast percentage) te hoog was geworden? De overheid is er niet om ongemerkt zoveel mogelijk geld binnen te halen, maar om lasten rechtvaardig te verdelen.

In het voortraject zijn dus de grootste fouten gemaakt. Maar ik had toch wel graag nog één politicus gehoord die tegen de truckers (en tegen de autolobby in) had gezegd dat een samenleving die door middel van botte machtsuitoefening een overheid doet capituleren op de verkeerde weg is. Wat dat betreft kun je gezag ook verdienen door het uit te stralen.

Wim Derksen is hoogleraar bestuurskunde Erasmus Universiteit Rotterdam