Bob Dylan for Nobel Laureate

Elk najaar, wanneer het oordeel van de commissie in Zweden valt over de vraag wie al dan niet recht heeft op de Nobelprijs voor de literatuur, duikt het debat op of de immer voorgedragen bard Bob Dylan nu wel of niet kandidaat mag zijn voor een dergelijke prestigieuze, literaire prijs. Volgens mede-kandidaat Harry Mulisch 'devalueert' de voordracht van Dylan de hele prijs. Volgens anderen zou de prijs met Dylan als laureaat juist bij een breder publiek aan gezag winnen.

De vraag die in dit debat altijd naar voren komt, is of liedteksten (en, in bredere zin misschien: voordrachtskunsten) ook als echte Literatuur opgevat kunnen worden. Er zijn mensen die songteksten als Mr. Tamborine Man, Hard Rain, The Times are a Changin en Subterranean Homesick Blues zullen diskwalificeren, omdat hun poëtische kracht op papier – dus losgekoppeld van de muziek – niet altijd even overtuigend is. Deze kritiek vind en vond je ook ten aanzien van teksten van Leonard Cohen, Jacques Brel en, dichter bij huis, Huub van der Lubbe of Nederhop koning Def P. van de Osdorp Posse.

Toen Remco Campert tijdens een rappoëzie festival in Amsterdam enkele jaren geleden gevraagd werd wat hij van die rapsongs van Def P vond, antwoordde hij: `Het zijn krachtige teksten, maar op papier blijft er toch weinig van over...' Waarop Def P. riposteerde: `Als je die teksten van Campert gaat rappen, blijft er helemaal geen fuck van over...'

Hoe je het ook wendt of keert, muziek en poëzie zijn uiteindelijk twee takken aan dezelfde boom. Ritme, compositie, toon, stijl, staccato, rallantando; het zijn begrippen die er bij het schrijven evengoed toe doen als bij het musiceren.

Het op strikte wijze onderscheid maken tussen het voorgedragen en geschreven woord, is zoiets als het scheiden van lichaam en geest het is middeleeuws, achterhaald en achterlijk. Probleem is dat we in een cultuur leven die een heilig ontzag heeft voor al het geschrevene, en dat het orale gewantrouwd wordt. In het geval van Bob Dylan zou er geen probleem moeten zijn. Als je een bard van zijn kaliber voordraagt, of nomineert, dan moet je als commissie ook zo consequent zijn om de kandidaat in zijn volle waarde te laten. Dat wil zeggen: als dichter die zich van de muziek bedient als middel om zijn lyriek naar het publiek te brengen.

Dylan zelf laat er geen misverstand over bestaan. Al in de jaren zeventig gaf hij te kennen zichzelf wel degelijk als een dichter te zien. Ook Allen Ginsberg zag Bob Dylan als een voorwaardig collega.

Een gunstig teken is dat in 1997 aan voordrachtskunstenaar Dario Fo de Nobelprijs voor de Literatuur werd toegekend. De Nobelprijscommissie heeft haar armen wijder gespreid dan menigeen lief is. De hoop voor hen die Dylan liefhebben, hoeft dus niet vergeefs te zijn.

Serge van Duijnhoven is schrijver.