Principes

Mijn ochtendblad opende gisteren met een grote foto van de zwemster Inge de Bruijn en daaronder een artikel met de kop `Praten over doping is pas vermoeiend.'

Ja hoor, daar gaan ze weer. Niet de gouden medaille maar de doping was het verhaal dat op de voorpagina verteld moest worden, en eigenlijk niet eens de doping, maar de geruchten daarover en de suggestieve vragen van vervelende journalisten. Of de schrijver van dat artikel zelf bij die vervelende journalisten hoorde, werd in het midden gelaten. Ik vrees het ergste, want een ruimhartige sportjournalist die schrijft `laat de jongens en meisjes toch lekker knabbelen, wat gaat ons dat aan?' ben ik nog niet tegengekomen.

Het onderwerp benauwt me meer dan vroeger, omdat de schakers er binnenkort ook mee te maken krijgen, maar de dopingjacht heeft me altijd al tegen de borst gestoten.

Bladerend in eigen werk zie ik wat ik een jaar of tien geleden schreef. ,,Misschien zullen we het nog meemaken dat ook schakers in de kranten als misdadigers worden afgeschilderd vanwege zogenaamde dopingschandalen van jaren geleden. Journalisten die dat doen zou je eigenlijk met een goed gemikte discusworp het hoofd van de romp moeten snijden.'' Misschien wat te kras geformuleerd, maar het was in een verhaaltje voor kinderen en die schijnen van griezelen te houden.

Wat mag wel en wat mag niet? Zoals het in de DDR ging mag niet, vind ik. Niet omdat er doping werd gebruikt, maar omdat er door de overheid immorele dwang op de sportmensen werd uitgeoefend. Het moet gaan zoals in het gewone leven in een fatsoenlijke maatschappij. De dokter schrijft een recept, je haalt een geneesmiddel, je leest de bijsluiter en schrikt van de bijwerkingen en je gooit het middel ongebruikt weg, zoals bijna iedereen dat doet. Of je neemt het toch en misschien is dat riskant, maar niemand zal zeuren dat je de rest van de wereld oneerlijke concurrentie aandoet.

Het is niet altijd makkelijk om uit te maken wat nog eerlijk is en wat vals. Een paar jaar geleden was er een Duitse schaker die zich tijdens zijn partijen voor liet zeggen door een computer. Dat was vals. Maar nu ontwikkelt de techniek zich verder. Iemand laat een chip in zijn hoofd inplanteren, een soort mini-computer, geïntegreerd met zijn eigen brein. Mag zo iemand meedoen met schaakwedstrijden?

In het begin zal er gezegd worden van niet, maar als de techniek niet meer in een experimenteel stadium is en de chip in het ziekenfondspakket komt, zal het vreemd worden om alleen van de denksporters te eisen dat ze dom blijven. Maar goed, dat is toekomstmuziek. We keren terug in het heden en zien daar een leerzaam proces: hoe zoiets zinloos en weerzinwekkends als dopingcontroles bij denksporten langzaam binnenglipt.

In 1995 tekende de Nederlandse regering een verdrag dat inhield dat sportbonden verplicht waren om een dopingreglement te hebben, op straffe van korting op subsidies. De schakers merkten er eerst niets van, maar dat kon niet zo blijven. Ze wilden toch ook sportmensen zijn? Nou dan.

In het begin lag iedereen dubbel van het lachen. De schaakbond liet weten dat een dopingreglement zinloos was en kreeg uitstel, in afwachting van een `wetenschappelijk' rapport. Dat rapport kwam en natuurlijk stond er in dat er stoffen bestaan die een geringe positieve invloed kunnen hebben op de werking van de hersenen. De bond beraadt zich nog, maar ik denk dat hij door de knieën zal gaan.

En je zal zien dat de dopingcontroles dan over een paar jaar ook normaal worden gevonden en zelfs nuttig, en dat er vergeten wordt hoe er eerst om het idee is gelachen. Als er eenmaal een straf is gezet op het drinken van melk, zullen de melkdrinkers na een tijdje als perverse delinquenten worden beschouwd.

In de reacties van de schakers meen ik een generatiekloof te bespeuren. Hoe hadden wij dat vroeger aangepakt? We hadden een brief opgesteld waarin de twintig beste schakers van Nederland plechtig zouden verklaren dat ze zich nooit aan een dopingcontrole zouden onderwerpen, omdat die in strijd met de menselijke waardigheid is. Dat is wat Jan Timman nu zegt, want die is oud.

De jongeren zijn over het algemeen opportunistischer. Ze vinden de controles ook idioot, maar omdat die geen praktische betekenis zullen hebben, kunnen ze er wel mee leven.

Waar zit dat verschil in? Het is aantrekkelijk om te zeggen dat wij nu eenmaal nobeler en verstandiger waren, maar erg geloofwaardig is dat niet. Ik denk dat het komt doordat wij zijn opgegroeid in de tijd van de Koude Oorlog. Het was de tijd van principes en van grote woorden. Onze regeringen stonden voor alles waar de Sovjet-Unie niet voor stond, voor democratie en voor vrijheid. Vrije wetenschap en vrije kunst, want in de Sovjet-Unie stond wetenschap en kunst in dienst van de overheid en dat was fout.

En ook wie zich tegen het gezag verzette leefde in die sfeer van principes en grote woorden. Als er een misstand was, moest die principieel worden aangepakt met collectieve politieke actie, en niet door je er individueel onderuit te draaien.

De Sovjet-Unie verdween en daarmee ook de principes van onze regeringen. De vrije wetenschap en de vrije kunst werden afgeschaft en met de democratie is het ook niet meer zo goed gesteld. Er werd gesproken over het einde van de politiek en zelfs van de geschiedenis, en hoewel dat dwaas was als je naar de wereld keek, ging het voor onze streken wel enigszins op.

Principes en woorden als menselijke waardigheid zijn een beetje belachelijk geworden en de jonge schakers die met de dopingcontroles wel kunnen leven gedragen zich praktisch, zoals het merendeel van de mensen dat altijd heeft gedaan. Is de overheid niet goed wijs? Geen verrassing, want het zijn zeldzame perioden in de geschiedenis dat ze dat wel was. Zijn de wetten verkeerd en schadelijk? Jammer, maar er is weinig aan te doen en door de mazen in het net valt er nog goed te leven. Eigenlijk wel verstandig van ze.