Overheid zit te springen om jonge academici en hbo'ers

De `werkgever overheid' heeft te kampen met een `uiterste krapte' op de arbeidsmarkt van hoger opgeleiden en academici. Dat is des te nijpender, omdat de overheid een meer dan evenredig beroep doet op dat deel van de markt. ,,Het zijn niet langer de werkgevers die bepalen waar hoger opgeleide gegadigden aan de slag gaan – de keuze voor een baan is nu aan die werknemers zelf'', zo stelt de Trendnota Arbeidszaken Overheid 2001, die minister De Vries (Binnenlandse Zaken) bij zijn begroting heeft gepresenteerd.

Het aantal banen bij de overheid stijgt voortdurend. In 1997 werkten er 753.000 mensen, het jaar daarop al 779.000 en naar verwachting zal dat aantal nog verder toenemen. Dat komt vooral door het onderwijs, waar de gevolgen van klassenverkleining en de aanwas van kinderen steeds voelbaarder wordt. Ook bij de politie neemt de behoefte aan personeel toe. Hetzelfde geldt voor justitie en de rechterlijke macht, al zijn daar volgens minister Korthals (Justitie) nog geen problemen, omdat de toename van het aantal betrekkingen vooral buiten de Randstad plaatsheeft, waar de problemen relatief nog te overzien zijn.

Minister De Vries wijst er op dat naast de vraag om uitbreiding ook een sterk oplopende vervangingsvraag te verwachten is, omdat er bij de overheid relatief veel ouderen werken die de komende jaren stoppen met werken. Daar komt bij dat door de demografische ontwikkelingen verhoudingsgewijs weinig jongeren zich op de arbeidsmarkt aandienen.

Die twee gegevens, gevoegd bij de groeiende behoefte aan personeel in de marktsector, zorgt er voor dat ,,de problemen bij de overheid nu snel toenemen''. Tot dusverre had de marktsector meer problemen bij de werving, maar De Vries wijst er op dat het aantal moeilijk vervulbare vacatures bij overheidswerkgevers is opgelopen van gemiddeld 16 procent in 1997 naar bijna 34 procent vorig jaar. In de marktsector klom dat percentage in dezelfde periode van 37 naar ruim 54 procent. In de onderwijssector liep het percentage in de genoemde twee jaar op van ruim 23 naar 50.

Ook de intensiteit, het aantal moeilijk vervulbare vacatures per honderd banen, stijgt snel: van 1,3 naar 3,6 bij de gehele overheid. In de marktsector ging dat van 4,9 naar 9,4 en in het onderwijs van 2,4 naar 5,9.

De grootste en snelst toenemende problemen doen zich voor bij de functies waarvoor hoge opleidingen zijn vereist. Meer dan vijftig procent van het overheidspersoneel is hbo'er of academicus.

De Vries stelt dat er op het ogenblik echt grote moeilijkheden zijn bij het werven van leerkrachten, bouwkundigen, civiel technici, informatici, economen en managers. Dat geldt vooral voor het westen van het land, waar zich ook bij het onderwijs de grootste problemen voordoen.

De bewindsman verwacht dat de problemen tussen nu en 2004 `verder gaan knellen'. Dat geldt niet alleen voor de hoger opgeleiden, maar ook ,,functies op middelbaar niveau blijven niet buiten schot''. Duidelijk is dat voor politie en defensie al moeilijk mensen te vinden zijn, maar ook bij administratieve functies ontstaan inmiddels knelpunten.

,,Een lichtpuntje is echter dat de overheid niet méér werknemers aan de marktsector verliest dan dat zij zelf uit de marktsector aantrekt.'' Bovendien, zo stelt De Vries, ,,blijkt de overheid gemiddeld iets intelligentere jonge hbo'ers en academici aan te trekken dan de marktsector''.