Koffiedik kijken in de Trêveszaal

Het kabinet keek deze zomer in de toekomst. Planbureau- directeuren Henk Don en Paul Schnabel trokken in een benen-op-tafel-beraad in de Trêveszaal lijnen voor de lange termijn. Beschouwingen over een samenleving met betere voorzieningen en vrijere keuzes. ,,In de 21ste eeuw zal het gaan om de aristocratisering van het bestaan.''

In hun denken over de toekomst zijn mensen de gevangenen van hun eigen tijd. Voorspellen is vaak niet meer dan voortborduren op trends en ontwikkelingen. Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau: ,,Voorspellingen zeggen iets over de problemen en mogelijkheden van nu.'' Henk Don, directeur van het Centraal Planbureau: ,,We weten niet hoe de toekomst er uitziet. We kunnen hooguit wat vragen stellen en trends signaleren.''

Schnabel zag het al in een jeugdboek van zijn vader, de Aeroplaan van m'neer Vliegenthert. ,,Dat speelt in 2013 of zo. Iedereen heeft een vliegtuigje. Maar wel allemaal Fokkertjes uit 1910, met zeildoek en twee van die draagvleugels.''

Kok-II is halverwege de kabinetsperiode en het regeerakkoord is vrijwel uitgevoerd. Ministers hoeven niet meer te bezuinigen, de overheidsfinanciën zijn goeddeels op orde. Nederland is af. Of niet? Hoe is het mogelijk er prettiger te leven? Die vraag, eenvoudig gezegd, stelde het kabinet begin dit jaar aan de twee planbureaus. In de zomer wilden de ministers aan de hand van essays van beide bureaus er dan een middag over doorpraten.

,,Een uniek verzoek'', vindt Don. Een kabinet dat twee middagen uittrekt om eens een decennium vooruit te kijken, daar had híj in elk geval nog nooit van gehoord. Tegelijk vindt hij de exercitie ook logisch. ,,Het kabinet wordt steeds minder geregeerd door de hectiek van alledag.'' Schnabel: ,,Dit kabinet verkeert in een luxe situatie. Als je het ene gat met het andere moet vullen, ben je minder snel geneigd over de toekomst na te denken.''

Vroeger verschafte ideologie politici houvast op weg naar overmorgen. Tegenwoordig wordt de toekomst met scenario's verkend. Benchmarking is de nieuwe term om de toekomst te lijf te gaan. Zekerheden zijn kleiner geworden, maar het cijfermateriaal is omvangrijker dan ooit. Hoewel ze de toekomst niet kunnen voorspellen, wordt het werk van de planbureaus steeds belangrijker.

De middagen met het kabinet hadden plaats in juli, op een dinsdag en een vrijdag. Schnabel: ,,Onder de blote engeltjes van de Trêveszaal zat een heel Nederlands gezelschap. Gemakkelijk, informeel en direct. En natuurlijk zijn er ministers die testen of je wel goed op de hoogte bent van hun terrein. En of je wel rekening hebt gehouden met de fantastische dingen die zij hebben bedacht.''

Het thema van de twintigste eeuw is volgens hem geweest: het voor een meerderheid mogelijk maken waar tot dan toe alleen een minderheid over beschikte. Schnabel: ,,Een goed leven. Onderwijs. Reizen. Comfort. Goed eten. Deelnemen aan het maatschappelijk en cultureel leven. Dat is gelukt.'' Volgens Don zijn de ambities die kabinetten in de jaren tachtig hadden bijna allemaal verwezenlijkt. ,,Of we zitten er dichtbij. Dat roept de vraag op: wat nu?''

Wat zijn dan de uitdagingen voor deze eeuw? Schnabel spreekt van ,,een aristocratisering van het bestaan''. ,,De kunst zal zijn het civilisatieproces zo in te richten dat de idealen van `noblesse oblige' een moderne vorm kunnen vinden: duurzaamheid, leefbaarheid, zorgzaamheid, weerbaarheid.'' Met een overheid die steeds meer rekening houdt met de individuele wensen van burgers. Don: ,,Collectief aanbod heeft de neiging voor iedereen gelijk te zijn. Dat doet geen recht aan de verschillen tussen mensen.''

Op tafel lagen de essays: elf stuks, tweehonderd pagina's. Ze handelden over internationalisering, de kenniseconomie, onderwijs, zorg. Eén dominante ontwikkeling is onmogelijk aan te geven, zeggen Don en Schnabel. Kwaliteit en diversiteit – dat zijn de sleutelwoorden. Van achterstanden van grote groepen van de bevolking is geen sprake meer. Het gaat nu om de kwaliteit van het leven en om keuzevrijheid.

Neem de AWBZ, het sociale vangnet voor onverzekerbare ziektekosten. Don: ,,De zorg die mensen daaruit krijgen, voldoet niet aan de normen die we voor ogen zouden moeten hebben.'' Schnabel: ,,Het is een bizar systeem. Je hebt er altijd voor betaald, maar je krijgt ervoor terug wat anderen vinden dat je mag krijgen. Niet hoe je het zelf graag zou willen. Dat vinden veel mensen niet meer prettig. Mensen willen zelf keuzes kunnen maken.''

Het geldt voor meer terreinen. Neem de verplichte pensionering. Hoewel volgens het laatste Sociaal en Cultureel Rapport Nederlanders werk niet als zaligmakend zien, neemt het aantal ouderen dat langer wil doorwerken toe, gewoon omdat ze het prettig vinden. Minister Els Borst of psychiater Dries van Dantzig vindt Schnabel goede voorbeelden. ,,Van Dantzig is op zijn tachtigste nog volop actief. Maar de maatschappelijke waardering voor mensen die langer blijven werken is gering. Ze worden door allerlei paradoxale regelingen zo ongeveer naar buiten gepusht. Je wordt bijna gestraft als je doorwerkt.'' Zo gaat de helft van de hoogleraren en de universitaire docenten de komende tien jaar met pensioen. ,,Daar is geen goede opvolging voor. Er zit een gat tussen de generaties.'' Eén gegeven staat vast, voorspelt Schnabel: ,,Het 65ste levensjaar als draaipunt in het leven zal verdwijnen.''

In Nederland is de fysieke laagvlakte de weerspiegeling van een economische, sociale en culturele hoogvlakte, vindt Schnabel. Maar wel een egale hoogvlakte. Tachtig tot 85 procent van de mensen kent geen achterstand meer. Voor de achterblijvers probeert de overheid zo goed en zo kwaad als dat gaat te zorgen.

Schnabel: ,,De flexibiliteit die we aan de onderkant kunnen opbrengen, lijkt aan de bovenkant te ontbreken. Er is wel een neiging om te kijken of iedereen nog volgt. Maar er is geen houding van: goh, er zijn een paar leuke hardlopers. Die laten we gaan. Maar het zou toch niet zo moeten zijn dat de hele karavaan op de hekkensluiters moet wachten.'' Don zegt het anders: ,,Hoe komt de overheid toe aan de wensen van alle burgers. Dat is de bottom-line.''

Tot de achterblijvers behoren grote groepen allochtonen. ,,Als er íets een probleem is, dan is het de integratie van grote groepen allochtonen'', zegt Schnabel. Het is geen generatieprobleem dat zich vanzelf oplost. ,,Er zijn aanwijzingen dat er te veel mensen buiten de boot vallen. De tijd voor allochtonen om geleidelijk, van generatie op generatie door te groeien naar betere posities is er niet. Daarvoor gaan de ontwikkelingen in de samenleving te snel.'' Volgens hem moet de overheid ,,alles op alles zetten'' om de inburgering tot een succes te maken. ,,Er mislukt nu nog te veel.''

Don wijst in dit verband op een oud gevaar: migratie als gevolg van de krapte op de arbeidsmarkt. In de zorgsector en in de informatietechnologie is de krapte zo groot dat er al mensen uit het buitenland worden geworven. Op beide terreinen is het misschien enkele jaren nodig dit te doen. Maar grootscheepse migratie als oplossing voor de krapte zal te grote kosten met zich meebrengen. Don: ,,Het is logischer om te kijken naar de mensen die hier al zijn: vrouwen, ouderen, arbeidsongeschikten. Dat is niet altijd gemakkelijk. Maar het brengt niet allemaal bijkomende kosten met zich mee.''

Don en Schnabel geloven in vooruitgang en in groei: zonder economische groei geen kwaliteitsverbetering. Het historisch toch wat voorzichtige Centraal Planbureau verwacht voor volgend jaar een groei van 4,5 procent. Directeur Don: ,,Je kunt ons niet van somberheid betichten. We voorspellen de grootste groei van alle voorspellers.''

Volgens Schnabel hebben de afgelopen decennia geleerd: zonder groei geen vooruitgang. Wie vanuit ideologisch standpunt nulgroei zou nastreven, bijvoorbeeld ten behoeve van het milieu, snijdt in eigen vlees. Want: ,,Mét groei heb je meer mogelijkheden om aan het milieu te werken. Je krijgt alleen zuiniger auto's als je geld hebt om ze te ontwikkelen. Bovendien is het nu een prettiger tijd om in te leven dan zeg vijftien, twintig jaar geleden: er is volop werk en je mag verwachten dat het je volgend jaar weer iets beter gaat.''

Privé-kapitaal zal volgens hem de komende decennia een grotere rol gaan spelen in de Nederlandse samenleving. In de statistieken is het nog niet waar te nemen, maar het bezit van de generatie ouderen is sterk toegenomen. Zij kochten tegen relatief lage prijzen huizen, die inmiddels royaal meer waard zijn, terwijl de hypotheekschuld vaak al helemaal is afgelost. Schnabel: ,,De generatie ouderen zit op een berg geld, dat komt straks allemaal vrij.''

Erfenissen worden weer belangrijker. Alleen worden ouders steeds ouder en blijven ze ook vitaler, waardoor kinderen er vaak pas de beschikking over krijgen wanneer ze zelf op gevorderde leeftijd zijn. Maatschappelijk gezien zou het aantrekkelijk zijn wanneer kleinkinderen gemakkelijker gebruik kunnen maken van het familiekapitaal. Schnabel lanceerde daarom in het kabinet het voorstel om via het erfrecht niet de kinderen, maar de kleinkinderen te begunstigen. Zij hebben het geld veel meer nodig, bijvoorbeeld om een huis te kopen.

,,Het was maar een ideetje'', zegt hij over zijn voorstel. Per slot van rekening was hij vrij om ongeremd na te denken over de toekomst. ,,Maar ik denk dat het belangrijk is dat familiekapitaal kan worden ingezet om jongere generaties vooruit te helpen.''

De toekomst is een project, vinden Don en Schabel. Alleen is de uitvoering uitbesteed aan de meesters van de korte termijn, die politici vaak noodgedwongen zijn. Het denken is vrij, maar niet alle discussie is onbelast. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid mocht dat onlangs nog ervaren toen premier Kok een advies over een andere aanpak van de arbeidsongeschiktheid nog voor publicatie afwees. Don: ,,Sommige gevoeligheden gaan niet zo makkelijk door het keelgat. Politici hebben er zelf moeite mee, maar vaker zie je dat hun achterban er nog niet aan wil. Soms moet je ze die tijd wel gunnen.''