De Raad voor de Journalistiek is misbaar

De Raad voor de Journalistiek verdient geen vriendschap en steun om deze instelling in stand te houden, vindt Willem van Manen.

Op 1 en 5 september leverden Cor Groeneweg, bestuurslid van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, respectievelijk Frank Kuitenbrouwer, journalist en oud-lid van de Raad voor de Journalistiek, op de Opiniepagina ongezouten kritiek op een – inderdaad aanvechtbare – uitspraak van die Raad. Toch rekent Groeneweg zich tot de ,,vrienden en ondersteuners'' van de Raad en acht Kuitenbrouwer volgens de kop van zijn bijdrage de Raad ,,onmisbaar''.

Verdient de Raad werkelijk vriendschap en steun als zijnde onmisbaar? Daartegen pleit onder meer het volgende.

1. De Raad voor de Journalistiek is een uit angst geboren zelfreguleringsinstituut: angst in de jaren veertig voor de invoering van journalistiek tuchtrecht door een overheid die boos was op enkele kranten wegens hun berichtgeving over de `politionele' acties in Nederlands Indië.

Angst baart zelden iets goeds, maar speelde opnieuw een rol rondom de onlangs door media aanvaarde verplichting uitspraken van de Raad over hen te publiceren. Die aanvaarding werd aanbevolen met de waarschuwing dat in geval van afwijzing van de publicatieplicht de Europese Unie voor veel ergere sancties zou zorgen. (Navraag bij de Europese Commissie leerde overigens dat aldaar van een dergelijke EU-dreiging niets bekend was.)

2. Persvrijheid is één der rechten van de mens zoals gewaarborgd door het Europese Mensenrechtenverdrag (EVRM) van de Raad van Europa en volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg is ze een pijler van de democratie. Dergelijke rechten behoren niet aan zelfregulering onderworpen te worden. Geschillen daarover dienen beslecht te worden door de rechter volgens de wet in formele zin.

3. Perszaken zijn bij uitstek feitelijk. Of een publicatie veroordeling verdient, hangt bij de rechter en de Raad voor de Journalistiek geheel af van de omstandigheden van het geval, de feiten dus.

De Raad is echter qua mogelijkheden van waarheidsvinding (getuigenverhoor, deskundigenbericht e.d.) en werkwijze (het lidmaatschap is een bijbaan) niet geëquipeerd voor deugdelijke feitelijke instructie. De Raad wil in feitelijk ingewikkelde zaken dan ook de gewraakte publicatie wel eens veroordelen als zijnde feitelijk onvoldoende onderbouwd, zonder uit te leggen hoe die onderbouwing luidde en wat er precies aan schortte.

4. Groeneweg en Kuitenbrouwer uitten ook kritiek op de samenstelling van de Raad voor de Journalistiek en met name op het fungeren daarin van oud-bewindslieden die, zoals onlangs nog eens gedemonstreerd door de oud-bewindsmannen Bolkestein en Van Mierlo, weinig ophebben met de `waakhonden der democratie' (de koosnaam van het Straatsburgse mensenrechtenhof voor journalisten). Die alleszins gegrond voorkomende kritiek had terstond effect: 's anderen daags trok oud-minister Sorgdrager zich uit de Raad terug.

Vatbaar voor kritiek is ook dat hoge rechters lid zijn van de Raad en aldus zijn quasi-rechtspraak rechterlijk gezag verlenen.

5. Afgezien van de publicatieplicht beschikt de Raad niet over sancties. Dat lijkt een voordeel voor de media, maar is het niet. Immers, zijn aan veroordelingen geen sancties verbonden, dan veroordeelt men gemakkelijker. Gaan die veroordelingen de rechtspraak beïnvloeden, dan wordt die dus strenger.

6. Onduidelijkheid blijft heersen aangaande het verschil tussen de rechtsnormen van de rechter en de wel als ethisch aangemerkte normen van de Raad voor de Journalistiek. In 1987 schreef de toenmalige voorzitter van de Raad dat die normen verschillen, maar dat hij niet kon zeggen waarin dat verschil bestond en welke norm strenger was.

Raad noch rechter heeft sindsdien getracht antwoord te geven op in dit verband rijzende vragen als: hanteert de Raad ethische normen en de rechter rechtsnormen? Zo ja, wat zijn dan wel ethische normen? Acht de Raad zich gebonden aan artikel 10 EVRM, volgens hetwelk de persvrijheid alleen door een veroordeling beperkt mag worden wanneer dat dringend noodzakelijk is in een democratische samenleving?

7. Mede gezien die normverwarring is zorgwekkend dat de rechter zich soms zonder meer conformeert aan de beslissing (alias `opinie') van de Raad. Deze fungeert dan als 's rechters voorportaal, waar de klager kan oefenen voor een gerechtelijke actie tot schadevergoeding. Dat klopt niet met de functie van de Raad als laagdrempelig alternatief voor de rechter, dus in plaats van de rechter en niet als een soort eerste instantie vóór rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad. Het klopt vaak evenmin met het adjectief `laagdrempelig'. Dat betekent kosteloos: geen griffierecht, geen kostenveroordelingen en geen verplichte bijstand van een kostbare advocaat. De voorportaal-klager pleegt zich echter al bij de Raad te laten bijstaan door een advocaat en voor dergelijke klagers is de Raad niet bedoeld.

De Raad zou zijn voorportaal-functie kunnen neerleggen door klachten in behandeling te nemen op voorwaarde dat de klager zich jegens het medium verplicht de zaak niet ook aan de rechter voor te leggen. Een onlangs gedaan voorstel van die strekking heeft vooralsnog bij de Raad echter geen bijval geoogst.

Conclusie: de Raad voor de Journalistiek is misbaar.

Mr. Willem van Manen is advocaat te Amsterdam voor de rechter geworden