Stop met het gedoogbeleid

Het gedoogbeleid holt de geloofwaardigheid uit van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem. Regels zijn regels en die moeten worden nageleefd. Pa

s als er een einde komt aan het gedogen, worden tegenstellingen weer zichtbaar en kan een echt debat worden gevoerd, vinden de politieke jongerenorganisaties.

Toen het boek De verbeelding aan de macht van Peter Bootsma en Willem Breedveld uitkwam, waarin het kabinet Den Uyl werd beschreven, slaakten velen in politiek Nederland een zucht van melancholische herkenning. `Dat waren nog eens tijden.' Met weemoed werd teruggekeken op de harde debatten, de scherpe tegenstellingen en de charismatische politici van die memorabele jaren zeventig. Minister Jan Pronk, die ook in die periode minister was, kon zijn heimwee niet onderdrukken en zei hardop dat hij het idealisme van toen nu wel erg miste: ,,Het is alles pragmatisme dat de klok slaat.''

Er wordt al jaren geklaagd dat de politiek niet `boeiend' meer is en dat de politieke partijen zoveel op elkaar lijken. Wij delen deze constatering, maar het zou oppervlakkig zijn om het daarbij te laten. Ook is het oppervlakkig om de politiek slechts op te roepen tot meer `dualisme' en aan te moedigen `tegenstellingen op te zoeken'. Het heeft geen zin om te politiek op te leuken door het voor de vorm opzettelijk met elkaar oneens te gaan zijn. De polarisatie van de jaren zeventig was misschien charmant, het was niet noodzakelijk goed voor het land.

Nederland mag zich eigenlijk best gelukkig prijzen dat er geen verbod bestaat op het compromis en dat de politiek in dit land gekenmerkt wordt door het zoeken naar een zo breed mogelijk draagvlak voor haar beleid. Dit `poldermodel' van wikken en wegen tracht zoveel mogelijk mensen te verbinden met hetgeen in Den Haag besloten wordt. Gehoopt wordt dat de identificatie van burgers met de afgesproken regels groot genoeg is, zodat de grootst mogelijke groep burgers de regels min of meer automatisch zal naleven.

Regels zijn er echter niet voor niets. Soms kan een regel legitiem zijn terwijl een (ogenschijnlijke) meerderheid het nut hier niet van inziet. Identificatie met regels is van belang, maar uiteindelijk zal de overheid wel de knoop door moeten hakken. Dat is juist een van de belangrijkste taken van de overheid: het opstellen van regels en het zorgdragen voor de naleving daarvan.

In voortgaande mate zijn (jonge) burgers hun affiniteit met de politieke besluitvorming aan het verliezen. Daarmee verliezen ze ook de affiniteit met de regels die deze besluitvorming voortbrengen. Naar onze mening heeft dit voor een belangrijk deel te maken met de houding die de politiek ten opzichte van haar eigen regels heeft.In haar bereidwilligheid om compromissen te sluiten, gaat de Nederlande polderpolitiek soms een stap te ver. Deze stap heet `gedoogbeleid' en holt systematisch de geloofwaardigheid van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem uit.

In Amsterdam kwam vorig jaar het boekje Streetwise uit waarin politieagenten de oproep kregen niet meer een oogje dicht te knijpen, als de wet of de algemene politieverordening wordt overtreden. Vanaf nu zou er strenger worden gecontroleerd om wildplassen en door rood licht fietsen te voorkomen en aan te pakken. De reactie van sommigen was negatief; zo verwordt Nederland tot een politiestaat! Die reactie is het gevolg van een halfslachtig beleid. De politiek heeft wetten geschapen die, om verschillende redenen, niet in beleid worden omgezet. De Nederlandse politiek schuwt, wanneer ze er met debat of compromissen niet meer uitkomt, geen enkel middel om toch tot een schijnbaar `breed' gedragen oplossing te komen. Om zowel de milieubeweging als Schiphol niet voor het hoofd te stoten, besloot het kabinet tot een gedoogbeleid voor het aantal `vliegbewegingen'. Om internationaal niet de wind van voren te krijgen, zweert Nederland bij het gedoogbeleid van softdrugs. Ook euthanasie mag niet, maar mag toch wel.

Het democratisch tekort in de Europese besluitvorming en ondoorzichtigheid van de samenwerking binnen de Verenigde Naties, worden ook volop gedoogd. Nederland zweert bij de mensenrechten, maar gedoogt de schending er van in de Verenigde Staten, waar nog regelmatig de doodstraf wordt uitgevoerd. Regels die we onszelf hebben gesteld worden internationaal door de vingers gezien.

Het gevolg van het gedoogbeleid is een slappe vertoning, die het midden houdt tussen lafheid en laksheid. Het imago van de politiek komt het in ieder geval niet ten goede. Het gedoogbeleid toont dat regels blijkbaar arbitrair zijn. Feitelijk worden burgers opgeroepen om de wet te overtreden. Dat is een slechte zaak.

Daarbij maakt de politiek het nog bonter door gedoogbeleid bij wet te regelen. Euthanasie was daar tot voor kort een goed voorbeeld van. De Nederlandse rechtsstaat vervolgde de dader niet wanneer weliswaar de wet was overtreden, maar de juiste procedure was gevolgd. De politiek ziet dit scheve beleid als een uitkomst om het debat in een breed gedragen compromis om te zetten. Ook het gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs is bij wet vastgelegd.

Zo'n compromis is nauwelijks anders uit te leggen dan als volgt: `Nee, het mag niet omdat we met elkaar hebben afgesproken dat het niet mag, maar het mag toch wel, omdat we ook met elkaar hebben afgesproken dat we er niet moeilijk over doen.' Hoewel de brede consensus over dit beleid de politiek gemakkelijker maakt, maakt het de democratie ondoorzichtig. Politieke partijen lijken niet te durven kiezen tussen de eigen standpunten en er heerst een antipathie voor fundamentele debatten.

U leest het het goed: de politieke jongerenorganisaties roepen de politiek op om wetten te maken die werkelijk in beleid worden omgezet. Wij vinden dat er geen onduidelijkheid mag ontstaan over de rechtsgeldigheid en de noodzaak van beslissingen, en daarom willen we dat de wetten die worden gemaakt ook werkelijk worden nageleefd.

Er zijn in de Nederlandse politiek geen echte grote tegenstellingen meer, maar die enkele die er nog wel zijn moeten duidelijk zichtbaar worden gemaakt. Het fundamentele debat – over het primaat van de politiek, de toekomst van de sociale zekerheid en de hypotheekrenteaftrek, de (on-)afhankelijkheid van Nederland in Europa en de wereld, de inrichting van Nederland, het zelfbeschikkingsrecht van individuen – wordt niet gevoerd en dat zou wel moeten. Dat uit deze debatten een compromis voortkomt dat misschien iets minder vergaand is dan wij vanuit onze verschillende uitgangspunten hopen, accepteren we. Onacceptabel is echter om het ene te besluiten, en het tegenovergestelde oogluikend toe te staan. De politiek lijkt daardoor te zwalken tussen de bereidwilligheid om iets te doen en haar eigen onmacht.

Hoewel wij vanuit onze verschillende uitgangspunten, idealen en levensbeschouwing over de genoemde kwesties totaal verschillend denken over de gewenste uitkomst van dergelijke debatten, zijn we het met elkaar eens, dat de ondefinieerbare tussenwegen die nu worden bewandeld, geen optie zijn. Simpel gezegd willen de politieke jongerenorganisaties dat ofwel de wetten waar gedoogdbeleid op wordt toegepast worden aangepast, zodat het gedoogbeleid het werkelijke beleid wordt, ofwel dat het gedoogbeleid wordt afgeschaft. Daarbij moet de politiek een goede afweging maken tussen eventuele vrijheidsbeperking en het beleid dat moet worden gevoerd om wetten uit te voeren.

Of de politiek zo spetterend zal worden als in de jaren zeventig, interesseert ons niet. Onze interesse gaat uit naar de kwaliteit van de besluitvorming en het democratisch draagvlak. De toekomst van de politiek moet gebaseerd zijn op uitvoering van wetten en controle van de macht; gedoogbeleid maakt dat onmogelijk. Gedogen lijkt een consequente optie om geen beslissingen te hoeven nemen. Daardoor verliest de politiek zijn macht, gezag, en geloofwaardigheid. Uiteindelijk snijdt de politiek zichzelf zo in de vingers. Willen de regering en het parlement oprechte politiek bedrijven, dan gedoogt zij niets meer. Wanneer volwassen politici geen fundamentele debatten meer kunnen voeren, dan kunnen ze altijd advies komen vragen aan ons, de jongerenorganisaties.

Boris van der Ham is voorzitter van de Jonge Democraten; Jelmer Uitentuis lid van de jongerenfractie van DWARS, de jongerenorganisatie van GroenLinks; Loek Schueler voorzitter van het CDJA; Frank Visser lid van PerspectieF, de jongeren van de ChristenUnie; Jeroen de Veth voorzitter van de JOVD; Sander Zboray voorzitter van de Jonge Socialisten; Gert van Veldhuizen voorzitter van de SGP-jongeren.