Steely Dan: plezier op het podium

Voor een groep die tot voor kort bekend stond om hun afkeer van tournees en live-optredens, heeft Steely Dan een hoopgevende ontwikkeling doorgemaakt. Toen Walter Becker en Donald Fagen in 1993 `uit verveling' de draad van hun in de jaren zeventig geconcentreerde succes weer oppakten, slaagden ze er nauwelijks in om hun muziek op een opwindende manier naar het concertpodium te brengen. Nu Becker en Fagen met het recente Two Against Nature voor het eerst in twintig jaar weer een studio-album hebben afgeleverd, is hun plezier in het samen spelen kennelijk toegenomen. Vergeleken met de saaie quasi-jazzrock die het duo en hun voortdurend wisselende groep huurmuzikanten vier jaar geleden lieten horen, stond een levendig pop-orkest in Ahoy' dat naar hartelust snoepte van de jazz-, soul- en rocktraditie.

Het moet de droom van elke Holiday Inn-pianist zijn, om net als Donald Fagen een zaal van Ahoy'-formaat te bespelen. Uitverkocht was het niet, maar dat deed nauwelijks af aan het enthousiasme waarmee ze hun beproefde repertoire nieuw leven inbliezen. Fagen floreerde in zijn hoedanigheid van de stijve hark met soul-aspiraties, die zich met zijn neuzelig maar indringend stemgeluid kon verschuilen achter een zwoel dameskoor. Het was een briljante vondst om de leadzang in Dirty work over te laten aan dit damestrio, waarbij vooral Whitney Houston-lookalike Cynthia Calhoun haar ziel binnenstebuiten mocht keren.

Gitarist Walter Becker bracht het er minder goed vanaf, want zijn leadzang in Daddy don't live in that New York City no more klonk onvast en roestig. Zijn stijve-harkerige aankondigingen van de orkestleden, allen `fine musicians' en `distinguished intstrumentalists', contrasteerde met de sprankelende blazersarrangementen en de losheid waarmee juist de minder voor de hand liggende Steely Dan-klassiekers werden gespeeld.

Het was opvallend hoe deze studiogroep bij uitstek er bijna dertig jaar over gedaan heeft om het plezier van het musiceren ook op het podium over te dragen. Dat lukte glansrijk, want songs als Babylon sister en Don't take me alive klonken nog nooit zo bruisend als nu. Het in kleine bezetting met contrabas gespeelde Deacon blues illustreerde dat Steely Dan heel goed zou kunnen gedijen in een rokerige jazzclub. En dat is precies waar het rockmiljonairs Becker en Fagen van meet af aan om te doen was: serieus genomen door een streng en veeleisend jazzpubliek, terwijl ze toch heerlijk toegankelijke popsongs blijven maken.

Concert: Steely Dan. Gehoord: 15/9 Ahoy, Rotterdam.