Het fatalisme krijgt een antiek-Grieks formaat

Al voor de voorstelling is begonnen, wordt het duidelijk dat het geen gewone Jevgeni Onjegin is, die de Nationale Reisopera presenteert in de enscenering die de befaamde Duitse regisseur Peter Konwitschny maakte voor de opera's van Leipzig en Barcelona. Terwijl de zaal volloopt zien we wel de van Tsjechov en Gorki zo vertrouwde Russische melancholieke sfeer: een 19de eeuws landhuis in verval. Iedereen loopt wat te doen. Plots klinkt door merg en been de schreeuw van een jongeman, die met een fles in de hand voor dood neervalt.

Het orkest trekt zich er niets van aan, het stemmen gaat door, daar komt dirigent Lawrence Renes, dan begint de voorstelling van Jevgeni Onjegin. Tsjaikovski's tragische opera naar de roman van Poesjkin, gaat over de versmade liefde van Tatjana voor Onjegin, die later wordt weerspiegeld in de versmade liefde van Onjegin voor Tatjana. Ondertussen heeft Onjegin in een duel zijn beste vriend Lenski gedood, de geliefde van Tatjana's zuster Olga.

Konwitschny transformeert het persoonlijke drama in een scherpe en meedogenloze vertelling over het eeuwige Russische leed, de onmacht om greep te krijgen op de situatie, de onstuitbare drang tot zelfdestructie – verborgen of openlijk het onderwerp van bijna elke Russische opera. Decor en kostumering van Johannes Leiacker tonen het Rusland van alle tijden: van het tijdperk der tsaren tot en met het communisme. We kijken naar een blinde bakstenen muur, in de serre hangt een akelige tl-lamp, de lambrizeringen zijn al even desolaat.

Zoals altijd in Rusland heerst de drankzucht, die meer kapotmaakt dan men liefheeft. Mannen en vrouwen lurken aan flessen en zoeken vergetelheid in liederlijkheid. Het is de tijd van het oogstfeest, de slachtmaand komt eraan, het leven van plant en dier spoedt zich ten einde. Er wordt een berkenboompje overeind gezet, hèt icoon voor Rusland. Het is omgehakt, van takken en bladeren ontdaan, dood, vermoord. Lente en liefde zijn hier onvoorstelbaar. Tatjana's jonge liefde voor Onjegin sterft in zijn achteloze egocentrisme. En als de liefde sterft, sterft de mens, zelfs al leeft die fysiek voort.

Hard, heftig, extreem, meedogenloos en in zijn breed uitgemeten larmoyantie soms bijna over the top is deze voorstelling van Konwitschny, meer in de sfeer van het hedendaags toneel dan die van de reguliere opera. Confetti en sneeuw, vrolijkheid en verdriet, lief en leed, vermaak en verveling; droom en drank, luiheid en lethargie, klucht en klacht, ze gaan in Rusland immer samen en van het laatste is altijd veel te veel. Het positieve en het negatieve zijn hier niet elkaars complementen of keerzijden, ze lopen hier rechtstreeks, onontkoombaar èn onomkeerbaar in elkaar over. Zo gaat het met Tatjana's liefdesbrief aan Onjegin, die steeds weer tevoorschijn komt en uiteindelijk een zakdoek is om haar tranenvloed te stelpen.

De melancholie muteert in machteloosheid om orde op zaken te stellen.Dat leidt tot een aantal sterke scènes, zoals het moment waarin tijdens een reguliere voorstelling de dansmuziek klinkt bij het feest bij vorst Gremin. Hier haalt Onjegin het lijk van Lenski onder een stapel jassen vandaan en begint met hem op die polonaise een macabere, duivelse dans. Het is de voortzetting van de omhelzing voorafgaande aan het rampzalige duel, waarin de twee hartsvrienden wel de zinloosheid van het duel tussen hen als aartsvijanden beseffen, zonder daaruit de consequentie te kunnen trekken. Het is alsof Konwitschny hier verwijst naar Moesorgski's Liederen en dansen van de dood.

Hoe de locaties telkens behoren te veranderen, de nieuwe troep die elke scène oplevert blijft hier liggen op wat er al lag. Het verleden is niet uit te poetsen, hoezeer Tatjana soms ook probeert dat met een gordijn aan het zicht te onttrekken. Uiteindelijk wijst ze Onjegins plotse echte liefde af, hoewel zijn vurige blik haar in beroering heeft gebracht en haar smartelijk verlangen opnieuw woelt in haar bange hart. Het verleden keert niet meer terug, zegt ze, haar liefde van toen kan ze niet meer ongeschonden reconstrueren. Maar hoewel ze een verstandig besluit neemt en materieel en sociaal comfortabel bij haar echgenoot vorst Gremin blijft, is de rest van haar leven even tragisch als dat van de verstoten Onjegin, die, omziend in wrok, klaagt over het wrede lot.

Het Russische fatalisme krijgt hier antiek-Grieks formaat, want Tatjana's tragische lot is eveneens definitief bezegeld. Haar huwelijk zal nooit meer hetzelfde zijn. Het tijdelijk begraven verleden is door Onjegin niet alleen weer tot leven gewekt, het vermoordt ook de toekomst. Net als Onjegin is de keurige Gremin iemand die vernielt wat hij heeft opgebouwd. Zijn anders altijd op gedempte toon entre nous gebrachte hoon over de rest van de mensheid (de roekelozen, listigen, moedelozen, belachelijke babbelaars en omkoopbare booswichten) richt hij hier luid en duidelijk persoonlijk tot zijn gasten, die geschokt het feest verlaten, Tatjana achterlatend in sociale eenzaamheid. Konwitschny wekt bij de toeschouwer de gedachte op dat ze toch de verkeerde beslissing heeft genomen.

De voorstelling oogt niet alleen anders dan anders, maar klinkt ook anders. In de bak maken dirigent Lawrence Renes en zijn goed en gedreven spelende Gelders Orkest zich ondergeschikt aan de voorstelling als geheel. Telkens weer, in schertsende of aangrijpende passages, klinkt een cynisch commentaar op wat er op het podium is te zien. En op dat podium staat bij de zangers niet de vocale esthetiek op de voorgrond, maar pure dramatische expressie, die hoorbare inhoud geeft aan de enscenering. Het anders zo bekoorlijk voorgedragen lied dat Monsieur Triquet zingt over het geluk van Tatjana heeft hier uit de keel van John Cogram alleen nog maar de intonatie van sarcasme.

Tatjana krijgt van de Ierse Sinéad Mulhern een lichte, erg oudere meisjesachtige vertolking, precies wat die moet zijn in de ontwikkeling van serieuze kalverliefde in de briefscène tot de tragische verscheurdheid van haar slotmonoloog: aangrijpend in geloofwaardigheid.

Jean-Luc Chaignaud, een zanger die ook optreedt in de Scala en de Met, weet in de titelrol het manische en het depressieve van Onjegin uitstekend te treffen.

Goede rollen zijn er ook van Daniel Kirch (Lenski), Lucia Meeuwsen (Filipjevna), Annelies Lamm (Larina) en Cécile van de Sant (Olga).

Alleen Michail Schelomianski zingt als Gremin keurig, netjes en meelevend, precies zoals het hoort. Maar zelfs dat krijgt in deze enscenering dan nog iets dubbels en ironisch.

Voorstelling: Jevgeni Onjegin van P.I. Tsjaikovski door de Nationale Reisopera en Het Gelders Orkest o.l.v. Lawrence Renes m.m.v. o.a. Jean-Luc Chaignaud, Sinéad Mulhern, Michail Schelomianski (19 t/m 28/9 Zelotes Edmund Toliver), Lucia Meeuwsen, Cécile van de Sant en John Cogram. Regie: Peter Konwitschny; decors en kostuums: Johannes Leiacker. Gezien: 15/9 Lucent Danstheater Den Haag. 19/9 Enschede; 21/9 Groningen; 24/9 Stadsschouwburg Amsterdam; 26, 28/9 Utrecht; 30/9 Eindhoven; 3/10 Maastricht; 5, 7/10 Rotterdam; 10/10 Den Bosch; 12/10 Arnhem. Inl. (053) 4878500.