Hard en zacht tegelijk

In het vuur van de strijd vallen doorgaans harde woorden. Als het aan Erik Gerets ligt mogen zelfs onvertogen woorden vallen. Want wie met elkaar de strijd tegen de vijand aangaan, dienen te beseffen dat zij door medestanders verrot worden gescholden wanneer ze een fout maken. Zo win je de oorlog en niet met een empathisch schouderklopje. Wie daar niet tegen kan moet zichzelf maar buiten gevecht stellen. Met piepers en jankers wensen mannen als Gerets niet de tegenstander te lijf te gaan.

Zo was Gerets als voetballer bij VC Rekem, Standard Luik, Milan, MVV, PSV en het Belgische nationale elftal, temidden van soortgelijke voetballers. Zo was Gerets als trainer van Club Luik, Lierse en Club Brugge, zo is hij nu van PSV. Een man die in het veld de longen uit zijn lijf schreeuwt, jagend op de totale vernietiging van de tegenstander. Een man die buiten het veld – vooral ver van het veld – een andere man is. Dan is hij meevoelend, opbeurend, vriendelijk, grappig, romantisch of zelfs filosofisch. Maar boven alles wil hij toch een winnaar zijn, een man die zichzelf voortdurend op de borst kan slaan.

Het vuur spuwt uit zijn ogen wanneer de strijd is losgebrand. Het water druppelt uit zijn ogen wanneer hij stilt houdt bij de zin van het leven. Met een glas bier aan de toog is hij de voetbalmacho, die alles en iedereen overschreeuwt – vooral zichzelf. Met een glas wijn aan de dis is hij een kwetsbaar mensenkind dat zwijgend voor zich uit staart, dromend van een vrediger samenleving, die nooit meer zal komen. Hij is hard en zacht tegelijk.

Voor mensen die Gerets niet kennen, is het vreemd dat hij als een vriend bier gaat zuipen met een medespeler die hij kort daarvoor nog in de arena de huid heeft volgescholden. Het is wennen, vooral voor mensen die de hardemannencultuur van teamsporten als voetbal, rugby en ijshockey niet doorgronden. Dat is wat anders dan de jongeherencultuur van zoiets als hockey en cricket – al schijnt in die sporten de beleving ook steeds primitiever te worden.

U kent ze wel die lieve mannen in wie op het speelveld plotseling het roofdier ontwaakt. Alsof ze buiten de krijtlijnen in een corset zijn geperst van regels van fatsoen en gehoorzaamheid en bijna zijn gestikt in stropdassen en knellende boorden. Alsof ze zich op het speelveld bevrijd voelen en hun zelfbehersing verliezen en zich te buiten gaan aan primitief gedrag, alsof sport en strijd onvermoede oerdriften losmaken. Aanpassing is wel de doodsteek voor spontaniteit genoem. Waar sport al niet goed voor is.

Gerets wekt de indruk dat hij allang weet wat hem beweegt. Zoals hij doorziet wat jonge en nog wilde PSV-voetballers als Mark van Bommel voelen. Hij voelt zich verwant met deze ongepolijste mannen – zo was hij ook als voetballer. Ze gaan altijd voor de winst, ze tarten de regels van het spel, ze gaan zo ver als de scheidsrechter toelaat – en wanneer deze de overtreding niet toelaat proberen ze hem brutaal als een puber te overtuigen van zijn ongelijk. Het zijn de wetten van de voetbaljungle, Gerets kent ze als geen ander.

Aan de hand van Gerets verliest PSV de schroom, die telkens weer de kop opsteekt wanneer de wereld veroverd moet worden. De schroom en de zachtaardigheid, het gebrek aan lef en zelfverzekerdheid, bang om de grenzen van fatsoen en gehoorzaamheid te overschrijden – waarom keert het zo vaak terug bij PSV? Erik Leeuwenhart wordt hij genoemd, de man die voor de strijd zijn baard laat staan, een Belg nota bene die PSV een gezicht heeft gegeven dat past bij het gezicht van de voetbalwereld.