Grenzeloze ruimte

NEDERLAND HEEFT EEN lange traditie in de wijze waarop het gebruik van de schaarse ruimte wordt gereguleerd. In een land met een klein oppervlak, een hoge bevolkingsdichtheid en in het oog springende natuurlijke omgevingsfactoren zoals de noodzaak tot permanent waterbeheer, ligt dat voor de hand. Vinex-locaties, bedrijfsterreinen, recreatiegebieden zijn allemaal keurig gelokaliseerd. Ruimtelijke ordening past in de Nederlandse behoefte om orde op zaken te stellen. Het is een typisch nationaal beleid over huisje-boompje-beestje en zo is het eigenlijk al sinds mensenheugenis.

Dat is vreemd. Want de Rijn begint niet bij Lobith, de betekenis van Schiphol gaat verder dan de geluidscontouren in de Haarlemmermeer, de Noordzee houdt niet op bij de twaalfmijlszone en de hogesnelheidslijn valt voorbij de grens niet abrupt in een ravijn. Nederland ligt ingebed in een grotere omgeving. Toch is die bredere dimensie in het debat over ruimtelijke ordening ver te zoeken. Het is de dimensie van Nederland als locatie aan de noordwestelijke delta van de Europese landmassa. Dan gaat het niet alleen over de vraag waar de volgende groeikern komt of waar bebouwing langs corridors wordt toegestaan, maar om de vestigingsfactoren van Nederland.

Deze zijn ruimer dan puur planologisch. Twee verschillende voorbeelden maken dit duidelijk. Waarom komen tienduizenden asielzoekers naar Nederland? En waarom besluiten Amerikaanse hightech-ondernemingen hun Europese hoofdkwartier in Amsterdam te vestigen? Dit heeft te maken met de institutionele arrangementen van de verzorgingsstaat, juridische kaders en het fiscale stelsel. Nederland is aantrekkelijk voor mensenhandelaren en een belastingparadijs voor buitenlandse ondernemingen.

IN DE EUROPESE UNIE tekenen zich regionale clusters van ontwikkeling af. Dat zijn niet de gebieden uit de eerste en tweede industriële revolutie, hoewel zich daar ook soms bewonderenswaardige bewegingen naar stedelijke en economische renovatie voordoen. Het Roergebied, Lille, Manchester en in Nederland Twente, delen van Brabant en de oude havengebieden zijn hiervan voorbeelden. Tegelijkertijd komen er nieuwe regio's op, de bedrijvenparken van de schoorsteenloze postindustriële samenleving. De hightech, de informatie- en communicatietechnologie, de financiële sector, de diensteneconomie in de ruimste zin van het woord, stellen volstrekt andere eisen aan de ruimtelijke omgeving en drukken op een andere manier hun stempel op die omgeving. Parallel hieraan zijn ook de arbeidsmarkten ingrijpend veranderd, en daarmee ook de wooneisen en de vraagstukken die met het woon-werkverkeer te maken hebben. Vroeger gingen arbeiders met hun boterhamtrommeltje onder de snelbinder met de fiets en later de brommer naar de fabriek, tegenwoordig staan tweeverdienende deeltijdwerkers met de tweede auto in de file.

Het vraagstuk van de ruimtelijke ordening is dat van de aantrekkelijkheid van Nederland als woon-, werk-, recreatie- en vestigingsplaats van de toekomst binnen de Europese ruimte. Amsterdam concurreert niet met Tilburg of Veenendaal, maar met München of Barcelona. Bedrijven kiezen op grond van fiscale voorzieningen en internetverbindingen. Als het om toerisme gaat, moeten de molens en de musea concurreren met amusementsparken in heel Europa. Werknemers zijn evenzeer consumenten en vrijetijdsbesteders.

NEDERLAND IS hierop mentaal en beleidsmatig niet voorbereid. Gemeenten delen zichzelf vrolijk op in stadsdeelraden die over de vuilophaaldienst gaan, maar een bestuurlijk kader voor de Randstad bestaat niet. Terwijl toch de Randstad moet concurreren met de metropolen in andere Europese landen en zich hier de grootste knelpunten wat betreft infrastructuur voordoen. Lang is bijvoorbeeld, ter wille van het milieu en de boeren, vastgehouden aan de mythe van het Groene Hart, terwijl ondertussen de lokale burgemeesters hun gemeenten onbekommerd uitbreidden met kassen en bedrijfsgebouwen. Infrastructuur bestaat overigens niet alleen uit wegen, spoorlijnen of (ontbrekende) fatsoenlijke forenzenverbindingen, maar omvat ook de behoeften aan cultuur en recreatie. De bevordering van podiumkunsten en de instandhouding van hoogwaardige musea behoren evenzeer tot de factoren die de aantrekkelijkheid van metropolitaanse regio's verhogen. Mensen gaan naar Parijs wegens het Musée d'Orsay of naar New York voor het Museum of Modern Art. Iets soortgelijks geldt voor de kwaliteit van het onderwijs: niet alleen om goed geschoold personeel op te leiden of om academische centra van hoogwaardig onderzoek te koesteren, maar ook om voor de kinderen van Japanse, Amerikaanse of Indiase expats die voor een aantal jaren naar Nederland komen, fatsoenlijke schoolgebouwen en behoorlijk onderwijs te bieden.

EEN ANDER ASPECT is de wijze waarop Nederland omgaat met het uiterlijk van zijn schaarse ruimte. Ook hier stemt de gangbare praktijk somber. Ter wille van `het milieu' wordt voor een miljard gulden een tunnel onder de weilanden gelegd voor de HSL. Maar verder? Terwijl in Frankrijk, Italië of de Verenigde Staten historische stadsdelen gekoesterd worden en strenge restricties gelden voor bijvoorbeeld buitenreclame, gaan in Nederland historische panden schuil achter afzichtelijke reclame-uitingen en zijn binnensteden verworden tot vergaarbakken van patatzaken, coffeeshops en winkelketens waarvan geen enkele kosmopolitische allure uitgaat. De verplatting vertaalt zich in een aaneenschakeling van evenementen waarbij de organisatoren en gemeentebesturen er kennelijk van uitgaan dat alles moet kunnen en bijdraagt tot de lol.

Dat is niet het geval. De publieke ruimte moet gekoesterd worden. Dat vraagt om een overheid die zich veel actiever dan nu het geval is, bezighoudt met vraagstukken die met de aantrekkelijkheid van Nederland te maken hebben. Het debat om de ruimtelijke ordening verschuift hiermee naar een debat over de inrichting van de samenleving.