De schoonheid en de verschrikking van Dongo

Bij Dongo hakten Congolese rebellen troepen van president Kabila in de pan. Met of zonder oorlog, deze Congolezen zijn armoedzaaiers. Zolang de herinnering strekt is er wanbestuur. Nu valt het gigantische land uiteen in rijkjes van krijgsheren

Malenko Kabwanga ligt begraven waar hij drie dagen geleden sneuvelde, naast het artilleriegeschut dat hij bemande bij Dongo, aan de rivier de Ubangui. Zijn plastic identiteitskaart die uit het omwoelde zand steekt, vermeldt: religie katholiek, geboren in Lubumbashi op 30 juni 1980. Repen van een blauwe affiche met de afbeelding van de Congolese president Laurent Kabila zijn rond zijn graf gestrooid, als giftige bloemen. Op het gezicht van rebellencommandant Alengbia Neambe verschijnt een merkwaardige melancholie. ,,Kijk daar, bij die bananenbomen in het hoge gras, bevond ik me enkele dagen geleden met mijn manschappen en beschoot ik deze heuvel, waarop de regeringstroepen zich bevonden. En nu sta ik hier en ben meester van Dongo. We hebben vele regeringssoldaten gedood.'

Water druppelt onophoudelijk van de bomen in het oerwoud. Zonnestralen proberen tevergeefs door de groene muur te boren. Anderhalve eeuw geleden trok hier de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley langs, op veroveringstocht voor de Belgische koning Leopold. Hij schreef over de rottende vegetatie in de alles doordringende vochtigheid. Altijd regen.

Bochtige rivieren banen zich een weg door de jungle. Overal en eeuwig groen. Gigantische wortels klampen zich vast aan de afbrokkelende rivierrand, alsof andere bomen hen in het kolkende water willen duwen. Een visser werpt zijn net in de dampende bruine stroom. De schoonheid.

,,De verschrikking. De verschrikking', waren de laatste woorden van mijnheer Kurtz in het 1912 gepubliceerde boek The heart of darkness. De schrijver Joseph Conrad plaatst zijn klassiek geworden roman in de Congolese jungle ten tijde van het brute beheer door koning Leopold. Hij baseerde zijn verhaal op ware gebeurtenissen. De oorlog in Congo heeft de verschrikking teruggebracht. Een goudkleurige glans glinstert op het rottende hoofd van een halfbegraven regeringssoldaat. Een wolk vliegen doet zich tegoed aan de uitpuilende ogen.

De belegerde regeringssoldaten koelden hun woede op de bewoners van Dongo. In het cachot zit een stroperige laag bloed op de grond geplakt. Het gebouwtje is omhuld door een stank die zich vastzet in neus en longen. Ruim vijftig dorpelingen werden hier standrechtelijk geëxecuteerd.

Popo Malembe is de enige overlevende. ,,Ik kwam terug uit het woud waar ik op apen joeg', vertelt hij. ,,De regeringssoldaten beschuldigden me ervan te heulen met de rebellen en sloten me op.' De gevangenen moesten hun eigen graf graven. Toen begonnen de soldaten hen dood te schieten. ,,Ik was de volgende dag aan de beurt. Ze zouden me met veertien vrouwen executeren, vertelden ze me.' Popo Malembe werd die nacht bevrijd door een soldaat met wie hij eerder vriendschap gesloten had.

De slag om Dongo duurde vijf dagen. Volgens de rebellen van de Congolese Bevrijdingsbeweging (MLC) bestonden de regeringstroepen uit 4.000 man en vielen de rebellen aan met 1.000 man. Soldaten van het Oegandese leger, dat massaal steun verleent aan het MLC, gaven de doorslag toen zij geavanceerd wapentuig inzetten.

De militaire buit blijkt indrukwekkend. Kisten met kogels, bommen, granaten, geweren, ze liggen op stapels verspreid over de hoogste heuvel van Dongo. In de loopgraven eromheen sporen van wanhoop. Een paar laarzen, een uniform, een foto van een lachende geliefde, een opengeslagen bijbel. Getuige hun identiteitsbewijzen kwamen de meesten uit het veel zuidelijker gelegen Shaba, de geboortestreek van president Kabila, daar waar niet de jungle maar open vlakten het bestaan bepalen.

Tussen de zwartgeblakerde lemen huisjes van Dongo kuieren nu vrijwel alleen mannen in uniform met geweren. De burgers vluchtten in hun uit boomstammen gebeitelde kano's naar de andere kant van de rivier, naar de veiligheid van het buurland. Met of zonder oorlog, deze Congolezen zijn armoedzaaiers. Honderd jaar wanbestuur van eerst de Belgen en vervolgens de kleptocraten rond president Mobutu hield vele generaties in de greep van het primitieve oerwoud. De enige stenen gebouwtjes in de dorpjes en stadjes behoren toe aan goedaardige blanke missionarissen, de hebzuchtige bestuurder of een buitenlandse handelaar. Verder geen teken van accumulatie van rijkdom, van ontwikkeling. Dorpelingen bewerken hun akkertjes met stokken en eten de `vruchten' van de jungle: slangen, apen, rupsen, krokodillen en nijlpaarden.

Zolang de herinnering strekt: wanbestuur. Nu valt het gigantische land, zo groot als West-Europa, uiteen in rijkjes van rebellenlegers en krijgsheren, ieder met zijn eigen buitenlandse steunpilaar. Steeds weer laten de Congolezen zich voor andermans karretje spannen.

Pierre Nzela is een krijgsgevangene van de slag om Dongo. In een grote pan kookt hij voedsel voor zijn nieuwe rebellenkameraden. ,,Ze gaan me opnieuw opleiden. Kabila is slecht.' En dan, zonder enige bedenking: ,,Ik neem bevelen aan van iedere autoriteit, ik vecht want ik ben Congolees.'

De 24-jarige Sergo Franco toont wel wilskracht. Hij was eerstejaars student rechten aan de universiteit van Lumbumbashi. Op een ochtend, zes maanden geleden, haalden Kabila's soldaten hem uit de collegezaal. Ze vlogen hem naar de hoofdstad Kinshasa waar ze hem afleverden in een militair trainingskamp van Noord-Koreaanse instructeurs. Zijn ouders heeft hij sinds die ochtend niet meer gezien of gesproken. Wat zou híj nu na de nederlaag van Dongo willen doen? Het antwoord laat geen seconde op zich wachten: ,,Alstublieft monsieur, neem me met u mee! Ik wil naar de buitenwereld, weg uit dit verdomde oerwoud.'

De commandant van de verslagen regeringstroepen zag die uitweg niet meer. Na de veldslag liep hij twee dagen vrij rond in Dongo, in afwachting van heropleiding door het MLC. De jungle hield hem gevangen. Hij greep het pistool uit de holster van een rebel, richtte het op zijn voorhoofd en haalde de trekker over.