Barlow blaast mank intro weg

Soms strompelt een nummer als een verongelukt paard over het podium en rest de muzikant niets anders dan het geven van een verlossend nekschot. Tenorsaxofonist Dale Barlow had al een paar keer met zijn grote handen vertwijfeld over zijn kale hoofd gewreven en onderzoekend zijn hoorn ondersteboven gehouden. Maar na een paar stroeve maten van Billy Strayhorns Lush Love besloot hij dat het rigoureus anders moest.

Drummer Gene Calderazzo werd met een commanderend `Sticks!' te kennen gegeven dat hij de brushes moest opbergen, bassist Essiet Okun Essiet schroefde de snelheid op en Barlow haalde eens diep adem om daarna met een lange sliert virtuoos aan elkaar gebreide noten de herinnering aan het manke intro weg te blazen.

Het trio dat vrijdag op de bühne van het BIMhuis stond, speelt al twintig jaar samen en weet hoe het ad hoc een probleem in dit geval lekkende saxofoonkleppen - kan ondervangen.

In een mix van standards en eigen composities, waarin het tempo over het algemeen redelijk hoog lag, wisten de drie elkaar blindelings te vinden en aan te vullen.

De zwakste schakel in het drietal was eigenlijk Calderazzo, die zich een paar keer bijna verslikte in zijn voortdurend wisselende ritmepatronen. Op zijn best was hij op de momenten dat hij zich beperkte tot korte mitrailleur-achtige uitbarstingen en een breed uitwaaierend cimbaalgekletter.

De ware rots in de branding was bassist Essiet, die begin jaren '90 met Barlow zij aan zij speelde in Art Blakey's Jazz Messengers. Met de kracht van een niet te keren vloedgolf liet hij de noten over het podium rollen.

Zowel zijn humoristische glissandi en adembenemende spel in de hoge registers als zijn spaarzame gestreken passages gaven het groepsgeluid een mooi uitgebalanceerde ondergrond. Zijn inventieve solo's - een notenbombardement enkel onderbroken door een hartgrondig `argh!' of diepe ademteug sloten perfect aan bij die van de tenorsaxofonist, die ook een voorkeur heeft voor lange, snelle reeksen.

Barlow bezondigde zich niet aan de verbuigingen of de falsetto-acrobatiek waarvoor veel van zijn meer experimenteel ingestelde collega's een zwak hebben. Heel af en toe ontlokte hij een rauw bluesgeluid of een hese brul aan zijn instrument, maar over het algemeen bleef het helder.

De tenorist dreef puur op de melodische kracht van zijn vloeiende improvisatie, die als een spectaculair achtbaanritje langs de toonladders raasde.

In de nummers Beautiful love en Brother Wayne liet Barlow horen ook met de dwarsfluit overweg te kunnen. Zijn explosieve speelstijl liet niks heel van het wat zoetige imago dat dit instrument gewoonlijk aankleeft.

Barlow spuugde zijn noten bijna de zaal in. En met veel plezier, want na een uur of twee warmdraaien liet hij weten de rest van nacht ook nog wel te kunnen volblazen.

Concert: Dale Barlow Trio. Gehoord: 15/9 BIMhuis, Amsterdam.