Variaties op een paars thema

Dinsdag komt het kabinet met de plannen voor het komende begrotingsjaar. Het paarse thema: collectieve uitgaven langzamer laten groeien dan de economie. Het kan anders. Sociaal-economisch onderzoeksinstituut Nyfer berekende veertien mogelijke verbeteringen.

In de Miljoenennota van Prinsjesdag stelt het kabinet voor om opnieuw de collectieve uitgaven veel langzamer te laten groeien dan de economie. Volgens de plannen van het kabinet zal de overheidssector in de eerste drie jaar van Paars II in totaal met 6 procent groeien, terwijl de Nederlandse economie in 2001 naar schatting 13 procent sterker is dan in het verkiezingsjaar 1998. Voor de derde achtereenvolgende keer blijft de groei van de uitgaven aan onderwijs, het gemeentefonds, de sociale zekerheid en de ambtenaren achter bij de groei van het bruto binnenlands product (bbp). De zorgsector en de ontwikkelingshulp houden gelijke tred met de groei van het Nederlandse bbp in de plannen van het kabinet en alleen de uitgaven aan infrastructuur zijn sinds de start van Paars II iets sneller gestegen dan onze economie.

Financieel is het beleid van Kok en Zalm dus heel succesvol. Paars II begon in 1998 met een heel krap plan voor de uitgaven en daar heeft het kabinet zich aan gehouden. Maar de economie is intussen met 50 miljard gulden meer gegroeid dan toen werd aangenomen en dat betekent bijvoorbeeld dat er ook ongeveer 17 miljard extra is binnengekomen aan belastinggeld. Bij de uitgaven spaart Nederland nu al 9 miljard per jaar (volgend jaar weer méér) omdat de post `rentelasten van de staatsschuld' zo snel daalt. Bovendien spaart het kabinet al drie miljard per jaar (volgend jaar nog meer) omdat minder mensen hoeven te leven van een uitkering in de Bijstand of de werkloosheidswet.

Een bijna volmaakte discipline dus bij de uitgaven. Buiten Den Haag worden steeds meer mensen echter bezorgd dat nu in Nederland sprake is van achterstallig onderhoud en dat zuinigheid bij het vaststellen van de salarissen van verpleeghulpen, agenten, treinconducteurs of ambtenaren vervelende gevolgen krijgt voor de kwaliteit van de dienstverlening. Leden van de Tweede Kamer luisteren naar die klachten en kunnen daarmee rekening houden bij het vaststellen van de begrotingen voor de verschillende departementen later in de herfst. De Tweede Kamer kan immers correcties aanbrengen op de miljoenennota. Hierbij veertien mogelijke verbeteringen op de plannen van Prinsjesdag. De tabel laat zien wat de consequenties zijn voor de staatsschuld in 2001.

Het parlement kan weer in vrijheid beslissen over eventuele extra uitgaven omdat Nederland zeer royaal voldoet aan alle eisen van het Verdrag van Maastricht en het Stabiliteitspact van de EU. Dit jaar bedraagt de Nederlandse staatsschuld keurig minder dan 60 procent van het bbp, die in het Verdrag van Maastricht geëist wordt en in de plannen van het kabinet gaat de staatsschuld volgend jaar verder terug tot 53 procent van de economie. Het woord `financieringstekort', is op Nederland niet meer van toepassing want de begroting laat een overschot zien.

Toch is er een politiek verschil van inschatting op het macroniveau. Niemand hoeft bang te zijn dat Nederland weer in de financiële gevarenzone zou komen wanneer de Tweede Kamer besluit om meer uit te geven. Zelfs wie alle suggesties hieronder zou opvolgen om meer te besteden brengt nog steeds de richtlijnen voor tekort en staatsschuld niet in gevaar.

Maar meer uitgaven voor medische zorg, onderwijs, politie en vervoer betekenen wél dat de strakke afspraken uit 1998 worden aangepast. Sommige bewonderaars van Minister Zalm willen daarmee liever wachten tot het volgende regeerakkoord in 2002 om zo de reputatie van Gerrit Zalm als succesvol bewaker van de schatkist onwrikbaar hoog te houden. Anderen vinden kwaliteitsverlies in zorg, onderwijs, veiligheid en transport zo ernstig dat premier Kok en minister Zalm uiteindelijk ons land een betere dienst bewijzen door nu in te stemmen met veranderingen in het beleid, ook wanneer dat hier en daar meer geld kost. Een randvoorwaarde is wel, dat waarborgen worden ingebouwd om te garanderen dat het extra geld doelmatig wordt besteed. Anders glijdt het als los zand door de vingers. Dat kan bijvoorbeeld door veel meer gebruik te maken van prestatiecontracten en andere vormen van prestatiemeting.