Vaarwel negentiende eeuw!

Fietsend in het donker op weg naar een avondvergadering hoorde ik het geluid van paarden. Ik trapte harder en zag toen voor mij een prachtige gesloten koets. Hij sloeg af naar de Keizersgracht, in de richting van het huis waar vroeger Jacob van Lennep gewoond heeft. Ik aarzelde niet en zette de achtervolging in. Dit was mijn kans om te horen hoe een koets 's avonds over de grachten geklonken moet hebben.

De grachten zijn nog steeds schaars verlicht, er lopen weinig mensen. Het kostte me geen moeite om me een nacht in 1850 voor te stellen. Kootje van Lennep komt terug van een avondvergadering, die begonnen is in de sociëteit en geëindigd is bij Joden Marie in de Nes. Het is onmogelijk dat de buurt niet hoort hoe laat hij thuis komt, niet het gerinkel van de geldstukken voor de fooi hoort en zijn joviale groet aan de koetsier. Aan de grachten klinkt het geluid van de hoeven en de ratelende wielen extra hard op de keitjes. Van Lennep zal dus wel op de hoek uitgestapt zijn.

Mijn excuus bij de vergadering waar ik te laat binnenkwam: ``ik ben achter een koets aan gefietst'', werd met schatergelach aangenomen. Het moet ongeveer geklonken hebben als de verklaring van Ramses Shaffey, die een half uur over tijd kwam bij een repetitie omdat er een duif in zijn ogen gevlogen was. Amateurgedrag, wijvendweperij, zei ik de volgende dag toen het licht was tegen mezelf. Dat hadden de mensen van de vergadering vast ook gedacht.

Moet een historicus een fysiek beeld van een tijd kunnen maken om daarover te schrijven? Moet hij de gebruiksvoorwerpen kennen, de kleding, de ontberingen van het dagelijks leven, de geuren kunnen opsnuiven, de codes van gesprekken weten, zich stilte en het geluid van de wind in de zeilen van een Oost-Indiëvaarder voor kunnen stellen? Is de jacht op contact met de fysiek van een eeuw niet juist kenmerkend voor de amateurhistoricus, en is de academische historicus daarentegen bezig met de verwerking van werkelijke relicten en feiten? Of, om het op Van Lennep toe te spitsen: moet ik weten hoe de man rook, of moet ik weten wat hij schreef? Het is al moeilijk genoeg voor een alfawetenschapper om enigszins controleerbare uitspraken te doen en daar moet natuurlijk niet te veel tralala van de verbeelding bij komen.

De sociaalhistoricus heeft het in veel opzichten makkelijker dan de literair- of kunsthistoricus. Hij kan in elk geval uit de voeten met statistische gegevens over demografie, inkomstenvergelijkingen, groei of krimp van productie en migratie en daar harde constateringen over opstellen. Maar wat zijn in de literatuurgeschiedenis de harde feiten, de hypothesen en de toetsingen? Natuurlijk, ik kan feiten verzamelen over de productie van boeken, over lezers, over aantallen recensies, over de verspreiding van tijdschriften, over stijlmiddelen en genres. Maar als ik de feiten op een rijtje heb, ken ik de tijd nog niet en kan ik eigenlijk nog weinig zeggen over de betekenis van een schrijver en zijn werk in zijn eigen circuit. Om verder te komen moet ik wel een beroep doen op mijn voorstellingsvermogen. Voor mij is het dan ook geen dilemma.

Historisch onderzoek is saai, moeizaam, langdurig en het doet pijn aan de ogen. Alleen als ik me de levende mensen voorstel in hun dagelijks leven houd ik het vol. De verbeelding is voor mij de voorwaarde tot volharding in het onderzoek. Ik haal mijn motivatie uit de fysieke beleving van de geschiedenis. Er zijn van die winkels die het midden houden tussen een rommelmarkt en een antiekhandel, waar gebruiksvoorwerpen van vroeger te koop zijn. Het is onvoorstelbaar wat er allemaal geweest is aan kleine hulpstukjes voor het dagelijks leven. Naaldenkokers, hoedenspelden, klapleesbrilletjes, garenklosjeshouders, breiwerkondersteuners. Om te schrijven waren er zandstrooiers, schrijfkistjes voor op reis, inktpotten, pennenslijpers, zegelstempels, lakdozen, pennenhouders, vouwbenen. Een apart museum zou er aan de scheermessen gewijd kunnen worden, inclusief de scheermessenslijpers. Op het Waterlooplein zag ik een broekpers in de vorm van een dubbel hakmes, waartussen de vouw van de! broek aangeperst kon worden. Al die parafernalia van het dagelijks leven van de mensheid wekken bij mij de begeerte om historisch onderzoek voort te zetten.

Maar natuurlijk is het tijdsverschil niet te overbruggen. Ik kan mij alleen maar in gedachten verplaatsen in de stilte, in het andere tijdsbesef, de verschillende bewegingspatronen en de lengte van de dag laten voelen, de afwezigheid van geluid, de aanwezigheid van de nacht, de omslachtigheid van het dagelijks bestaan. Geluiden en geuren van een tijd zijn het minst vangbaar voor een historicus. Er is dat aardige verhaal van Roald Dahl over de GVR, de Grote Vriendelijke Reus, die mooie dromen vangt en op het juiste moment inblaast bij slapers. Je zou willen zo'n GVR te zijn die de geschiedenis met geur en al kan vangen en inblazen. Want wat een historicus ook vertelt over het verleden: het stinkt nooit.

En toch gaan we het proberen. Vandaag is het Weekend van de Negentiende Eeuw begonnen. In het hele land zijn er manifestaties. Zowel de wetenschappers als de dwepers zullen aan hun trekken kunnen komen. Er kan ongegeneerd van het verleden genoten worden en tegelijk kan men een heleboel te weten komen op academisch niveau. In Warffum heeft men de geuren van de negentiende eeuw nagebootst: teer, turf, hooi, paardenmest. Tot mijn grote verbazing bleek er in Dokkum nog een complete trekschuit met paard te bestaan, die een stuk de trekvaart richting Leeuwarden op gaat. In Zaandijk wordt in het Honig Breethuis muziek gemaakt op authentieke negentiende-eeuwse instrumenten in een huisinrichting uit die eeuw. Het Nationaal Schoolmuseum bootst een negentiende-eeuws klasje na waarin les gegeven wordt op de oude manier. Er zijn aardige tentoonstellingen over de oudste waterleidingen van Nederland in Heemstede en Utrecht. In Amsterdam kan men een Tachtigerswandeling met gids lopen en oo! k in Leiden, Den Haag, Haarlem en Laren zijn historische wandelingen langs lieux de mémoire. Voor de wetenschappelijke tentoonstelling over verschillende soorten bibliotheken gaat de Amsterdamse universiteitsbibliotheek speciaal open. De alleroudste filmbeelden, nog in de negentiende eeuw opgenomen, worden in het Filmmuseum vertoond en in aansluiting daarop kan men een negentiende-eeuws diner bestellen bij Vertigo, dat samengesteld is door Johannes van Dam. En dan zijn er in Amersfoort nog oude mensen die vertellen over hun jeugd. Heel die idiote eeuw met al haar tegenstellingen komt aan de orde.

Juist de tegenstrijdigheden maken die tijd zo razend interessant. Goed burgerschap staat naast barse tegendraadsheid, conservatieven kunnen tegelijk maatschappijhervormers zijn. De tijd ging in het begin van de eeuw traag, maar werd door de stoomkracht immens versneld. Ziekten en dood beheersten het dagelijks leven, maar de medische wetenschap ging met sprongen vooruit, waardoor beheersbaar werd wat men vroeger aan God moest overlaten. De negentiende eeuw is complex, onvoorspelbaar, romantisch en plat realistisch tegelijk. Als zij een mens was en ik een man, zou ik een stormachtige verhouding met haar aangaan.

Marita Mathijsen is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in het bijzonder die van de negentiende eeuw aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is haar eerste maandelijkse column in de bijlage W&O.