Spelende mens zit klem in Sydney

De Olympische Spelen in Sydney zijn begonnen. Geld heeft de sport op een verschrikkelijke wijze kapot gemaakt, vindt Guus van Holland.

Volgens de traditie zijn de Olympische Spelen gisteren op uitbundige wijze geopend. De meest talentvolle sportlieden ter wereld paradeerden door het olympisch stadion van Sydney, blij en trots deelgenoot te mogen zijn van het ultieme sportfeest. Ze hadden er een feestelijk maar uniform tenue voor mogen aantrekken. Lachend en zwaaiend presenteerden ze zich aan de rest van de wereldbevolking, die dankzij een recordbrekend aantal camera's getuige kon zijn van de opmars der gladiatoren van de 21ste eeuw.

Lichtvoetig maakte het peloton uitverkorenen zich eendrachtig op voor de lang verwachte dans van de verbroedering. Jonge mensen uit alle lagen van de samenleving togen met een verliefde blik in hun ogen op weg naar de eeuwige vrede waar sport al niet goed voor is. Toch kon de kritische toeschouwer aan de lichaamstaal van enkele deelnemers zien dat een breuk in de liefdesrelatie op komst is. Onbewust bijna daagden sommige vredesdemonstranten hun vrienden uit door en passant hun borst op te blazen en hun kin vooruit te steken. Kom maar op! Strijdlust valt nu eenmaal niet te onderdrukken, vooral voor degenen die menen dat de beste prestatie leidt tot ongekend en langdurig geluk.

De ene deelnemer aan de olympische mars naar de vrede had een lichaam van een reus die geen toeschouwer in zijn straat heeft wonen, de andere had de lach van een komediant die wegens frequente herhaling van zijn grappen niet meer serieus wordt genomen. Sommigen zagen er niettemin gelukkig, fris, jeugdig en enthousiast uit, alsof ze niet wilden horen dat sportieve overdrijving kan leiden tot pijn, verbittering en eenzaamheid opgezweept door het volk dat geen genoegen neemt met wat het heeft en door de geldwolven die uit de hunkering van het ingeslapen volk munt willen slaan. Onder de vlag van de wereldgezondheidsbewegingen woedt intussen een gevecht tussen normaal en abnormaal. Sport is gezond, topsport niet meer.

Juan Antonio Samaranch is de empathische, maar strenge gymleraar die op tachtigjarige leeftijd graag toont dat hij nog altijd een vogelnestje aan de ringen kan maken. De grijze en minzame markies uit Barcelona nam zich twintig jaar geleden voor de olympische beweging een plaats in de samenleving toe te bedelen die iedereen vredelievend stemt. Zo ongeveer als Pierre de Coubertin, de Franse baron die meende dat fysieke vervolmaking van de jeugd (na een paar verloren Franse oorlogen) tot succesvollere prestaties in bijvoorbeeld een oorlog zou kunnen leiden. Zoals De Coubertin na bezoeken aan sportstimulerende Engelse kostscholen werd overtuigd van de zin van lichamelijke oefening, zo nam Samaranch zich voor de wereld ervan te overtuigen dat Olympische Spelen vredig stemmen.

Een man met een Franco-verleden, een man die in het communistische bolwerk Moskou als ambassadeur het fascistische regime van generalissimo Franco vertegenwoordigde, zo'n man kan dus de olympische beweging leiden. Misschien juist omdat hij de mechanismen en de machiavellistische motieven als geen ander kent, heeft hij zich als voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité opgeworpen als redder van de spelende mens, die naar vrijheid verlangt en zich wil bewegen zonder de ketenen van het gezag. Spelen, doen wat je wilt, plezier hebben in competitie zonder winstbejag, kunnen zijn wie je bent man of vrouw, maakt niks uit. Samaranch, de fascistische follower van toen heeft zijn best gedaan om de humanistische leader van nu te zijn.

Toen de olympische beweging na het financiële échec van de Spelen van 1976 in Montreal, en het politieke échec van Moskou in 1980, zich in de armen wierp van de geldwolven van Los Angeles in 1984, werd Samaranch verketterd en verafgood tegelijk. Los Angeles, hoe afschuwwekkend imperialistisch en kapitalistisch ook, zorgde voor een kentering. De commercie hield de sport in beweging, met alle gevolgen vandien. Multinationals overweldigden de sportwereld, sportbeleving werd industrie, wie aan sport wilde doen leverde zich over aan de macht van het geld. Geld zorgde voor macht, geld maakte afhankelijk, geld zorgde ervoor dat (sport-)mensen nog beter wilden presteren en nog gelukkiger wilden worden, geld zorgde er mede voor dat sporters hun grenzen gingen verleggen in de hoop veel geld te verdienen.

Geld – honderden, duizenden, miljoenen bankpapiertjes heeft de sport op een verschrikkelijke wijze kapot gemaakt. Na Los Angeles '84 eigenlijk al sinds voor een sportprestatie geld werd betaald werd de olympische beweging de trekpop van de handelsgeesten. Samaranch en de zijnen konden deze ontwikkeling niet aan. Ze werden geconfronteerd met landen en steden die geld roken en daarom de Olympische Spelen wilden organiseren. Het piepkleine Amsterdam deed zelfs een gooi in de hoop eens een wereldstad te worden. 's Lands economie werd de drijfveer en is het nog steeds, getuige de plannen van politici die niet beter weten dan dat sport het geneesmiddel is tegen alle moderne ziekten.

Salt Lake City, de stad in het Amerikaanse Utah die zich profileert als de meest zuivere ter wereld, maakte Samaranch ongewild wakker. Wat de voorzitter van het IOC waarschijnlijk had zien aankomen maar niet had kunnen (of willen) stoppen, werd bijna zijn ondergang. Een bondgenoot, het Zwitserse IOC-lid Hodler, riep in een vlaag van gewetenswroeging dat veel van de IOC-leden in ruil voor geld of andere diensten wel een stem aan een of andere kandidaat-olympische stad gunden. Wat in politieke kringen als gebruikelijk en dus aanvaardbaar werd ervaren, was nu ineens omkoping. Want het ging om sport, en in sport geldt immers fair play.

De hypocrisie van de algemene samenleving opende de aanval op de mores van de sport. Samaranch vermande zich, gaf een handjevol IOC-leden de gelegenheid zich terug te trekken, stelde de vertrouwenskwestie aan zijn leden en riep vervolgens – gesterkt door de massale steun – een ethische commisie in het leven. Samaranch wenste niet te capituleren voor het Amerikaanse moralisme en kapitalisme. Hij ging naar het Congres, verweerde zich als een man die gelouterd is door vele jaren ervaring met de mechanismen van de macht, en vertrok. Een voorzitter die veel heeft gewonnen, stapt niet op wanneer hij dreigt te verliezen.

In Sydney geniet Samaranch van zijn laatste kunstje. Volgend jaar juli treedt hij af. Hij beseft als geen ander dat Sydney op 23 september 1993 ten onrechte de Spelen kreeg (een Australisch organisatielid beloofde twee Afrikanen aan de vooravond van de stemming geld en nog véél meer in ruil voor hun stem), ten nadele van Peking. Maar Sydney lijkt de juiste stad om de wereldbevolking ervan te overtuigen dat sport verbroedert. Peking, de benadeelde stad in 1993, is er nog niet aan toe, blijkens onder meer de berichten over het nog niet beheerste gebruik van doping.

Samaranch trekt dezer dagen alle registers open om de zin van de olympische beweging te benadrukken. De beste voetballers ter wereld dienen zich zo spoedig mogelijk te melden, net als in Sydney de vrouwelijke gewichtheffers. Nog een tiental jaren en in een of andere woestenij wordt door schakers, bridgers, dammers, klaverjassers en kattenmeppers gestreden om een gouden medaille. Want wie gaat voor olympisch goud, wordt serieus genomen. Door koffie en aspirine verdoofde denksporters temidden van genetisch gemanipuleerde atleten.

Wat zijn atleten? Lachende en zwaaiende uitverkorenen die lichtvoetig hun gespierde borstpartijen tonen in ruil voor geld en geluk? Of zijn het robots, bionische jonge mensen die, gestimuleerd door de miljoenen, proberen aan te tonen dat zij de rolmodellen voor de jeugd zijn? Sydney is als andere Olympische Spelen weer een overdrijving van de manier waarop sport tot verfrissing van lichaam en geest leidt.

Guus van Holland is redacteur van NRC Handelsblad.