Smeergeld

De prijs van de brandstof stijgt en de samenleving komt in opstand. De winnaars zijn de producenten, de verliezers de consumenten – op het eerste gezicht. Is de Opec schuldige of zondebok?

Je kon er in Engeland de klok op gelijk zetten. Op wat de rechtse onderbuikkranten The Sun en The Mail zouden schrijven toen de Franse premier Lionel Jospin zijn routiers al na een paar dagen een belastingkorting beloofde: Chantage! Rubberen ruggengraat! Frans watje! En tussen de regels: Net als in mei 1940!

Maar een dag later brak de hel in eigen land los. Ditmaal waren het geen verwende, inhalige Franse boeren en chauffeurs, maar gewone Britten die zwoegden tegen de concurrentie van het continent, en die al veel te lang door premier Blair het vel over de neus werd gehaald. Dus werd het na een dag stilte: Omlaag met die belastingen Tony! En toen de premier – net als zijn IJzeren Voorgangster – not for turning bleek te zijn, klonk het donderdag alsnog schaapachtig: Jullie hebben je punt gemaakt! En wij zullen jullie helpen om Tony Blair te bestrijden bij de godgeklaagd dure Britse benzine. Genoeg is genoeg als er mensen dreigen te sterven!

De spreekwoordelijke flegmatiek? Heel simpel: die was nergens te bekennen. Dreig een moderne Brit een dag zijn Mondeo of zijn rantsoen Becks-pils af te pakken, en hij verandert in een hysterische hamsteraar die de supermarkten en tankstations belegert. Waarna pomp en schappen leegraken en de paniek nóg verder om zich heen slaat. Het koelste land van Europa, dat van de stiff upperlip en de Spirit of Dunkirk, leek een week lang in héél weinig te verschillen van de wankelmoedige buur op het vasteland. Blair zal een concessie moeten doen. De accijnzen, die aanvankelijk kogelvrij leken, sterker, buiten schot bleven, zijn het niet langer. Waar hij het geld kan vinden is onzeker: misschien bij de stijgende winsten van de Britse olie uit de Noordzee.

In Frankrijk is de populariteit van de premier volgens peilingen in een vrije val geraakt. Jospin wikt en weegt hoe hij een evenwichtige benzineprijs kan bewerkstelligen om niet alleen de vrachtwagenchauffeurs maar álle Fransen te lijmen – zonder concessies te doen die de Europese partners en zijn eigen groene minister Dominique Voynet verder op de kast zullen jagen. Tegelijkertijd deinst zijn politieke tegenstander, president Jacques Chirac, er niet voor terug zout in de wonde te wrijven. De president heeft gezegd het normaal te vinden dat over benzine – een vervuilend product – belasting betaald moet worden. De president heeft ook gezegd dat het ,,abnormaal'' is dat de staat ,,om fiscale redenen die verband houden met de steeds grotere BTW-afdrachten, profijt trekt van de gestegen olieprijs''.

Arme Jospin. De korte, maar hevige opstand in Frankrijk tegen de dure brandstoffen heeft van hem een verliezer gemaakt. In een week tijd heeft de dure olie de hele wereld opeens in zichtbare winnaars en verliezers verdeeld. De verliezers zijn de consumenten. De winnaars zijn de producenten – tenminste op het eerste gezicht. De werkelijkheid is, zoals altijd, ingewikkelder. Een zwartepietenspel zonder weerga is begonnen, waaraan iedereen meedoet. Politici, oliemaatschappijen, de Opec – in een verwarrende ménage à trois geven ze elkaar de schuld van de hoge brandstofprijs. En de belastingbetaler geeft de schuld aan alledrie.

Kleine marges

In Midden-Europa zijn er alleen maar verliezers. Van de kleine eenmansbedrijfjes, die met kleine, hoogopgetaste vrachtwagens pendelen tussen de goedkope producenten in het Oosten en de rijke afnemers in het Westen, tot en met de grote transporteurs. De Midden-Europese vervoerders hebben de afgelopen jaren hun eigen markt veroverd: tot ver op de Duitse Autobahn zijn ze in toenemende mate aanwezig.

Maar op de kwetsbare emerging markets zijn de marges klein. Jaarcontracten, afgesloten met grote producenten, beginnen te knellen. Verhoging van de brandstofprijs kan niet altijd worden doorberekend. ,,Bovendien, hoe kan je een tank volgooien als je net al je geld aan de vorige hebt opgemaakt en je opdrachtgever pas aan het eind van de rit gaat betalen'', vraagt een vervoerder zich vertwijfeld af. László Geszti van het half geprivatiseerde staatsoliebedrijf MOL in Hongarije vertelt dat de benzine- en dieselprijzen kunstmatig laag gehouden worden. MOL wil de consumenten niet tegen zich in het harnas jagen. ,,We willen voorkomen dat mensen de straat op gaan'', zegt Geszti. Hongaarse kranten speculeren over een benzineprijs die deze winter wel eens zou kunnen oplopen tot (omgerekend) ruim 3,50 gulden per liter. Met een gemiddeld inkomen dat net boven de vijfhonderd gulden ligt, is dat voor de Hongaarse consument – de helft van de gezinnen heeft inmiddels ee! n auto – niet meer te betalen. Hongarije kent geen winnaars.

Met ongeloof volgen de Russen de acties in Europa. Dat tanken in het Westen met gemak een maand pensioen kost, gaat er bij de bejaarde Lada-rijder op weg naar zijn moestuintje eenvoudig niet in. Hij is lange rijen uit de Sovjet-tijd gewend, toen de benzine weliswaar zo goed als gratis was, maar zelden verkrijgbaar. Wat autorijden in Rusland tegenwoordig duur maakt, zijn de verkeersagenten, die de Rus uitkloppen voor de onzinnigste `overtredingen'. In die zin zijn alle wegen in Rusland tolwegen – het rekeningrijden is er al lang ingevoerd.

Benzine kost in Moskou vier keer minder dan in Londen. In de afgelopen weken klom de prijs van alle soorten diesel en benzine in Moskou gemiddeld met vijf procent. Wie denkt dat aanhoudend hoge olieprijzen voor die stijging verantwoordelijk zijn, heeft het mis. De Moskovski Komsomolets, een krant met een neus voor consumentenzaken, legt uit hoe de benzinehandelaren aan kartelvorming doen om hun winstmarges op te schroeven. Ze houden partijen achter, om ze vervolgens aan de hoogstbiedende te leveren. Momenteel zijn dat de geprivatiseerde kolchozen die hun graan, suikerbieten en aardappelen moeten oogsten.

Het enige registreerbare gevolg van de dure olie is vooralsnog het genoeglijke spinnen van de Russische olieconcerns en de staat. Anders dan de gaswinning, die nog in staatshanden is (Gazprom), is de oliesector in Rusland grotendeels geprivatiseerd. De staat roomt de winsten af door een ingewikkeld `belastingsysteem'. De dure olie heeft president Vladimir Poetin in staat gesteld een populariteitsverhogende oorlog te voeren in Tsjetsjenië, zonder het volk bloot te stellen aan de plagen van inflatie, achterstallige lonen en uitkeringen en berovingen van spaartegoeden – het handelsmerk van de Jeltsin-jaren.

Voor Noorwegen, na Saoedie-Arabië de grootste olieproducent ter wereld, is het feest. Het land profiteert van de dure olie, net als Rusland. Een dollar prijsstijging per vat (159 liter olie) levert de Noorse staat gemiddeld een miljard Noorse kronen (260 miljoen gulden) per jaar aan extra inkomsten op. Een deel daarvan wordt apart gezet in een fonds, dat eind vorig jaar 222,4 miljard Noorse kronen bevatte. Het land houdt daarmee de inflatie in toom en heeft een appeltje voor de dorst als de olie-inkomsten afnemen. In twintig jaar zal dit fonds zijn aangegroeid tot twee biljoen Noorse kronen (520 miljard gulden). Maar die schatting is gemaakt toen de prijs per vat aanmerkelijk lager was dan de huidige 32 dollar.

Aardgasland Nederland lijkt op winnaar Noorwegen. De meevaller van twee miljard gulden die Nederland dit jaar aan de dure olie verdient (de aardgasprijs is, met enige vertraging, gekoppeld aan de olieprijs) moet volgens het regeerakkoord worden gebruikt voor vermindering van de staatsschuld. De rentebedragen die de staat daarmee uitspaart – ruim 100 miljoen gulden per jaar – worden gestopt in een apart fonds. Uit dat fonds worden investeringen betaald, zoals voor infrastructuur. Automobilisten en vrachtwagenchauffeurs die nu aan brandstof kapitalen kwijt zijn, hebben als troost dat er straks meer snelwegen komen.

Oliecrisis 2000

De echte verliezers wonen in Azië, al wonen ook daar winnaars en is het beeld niet ondubbelzinnig. In Thailand begon drie jaar geleden de Azië-crisis. Thailand wordt nu van alle landen in de regio het zwaarst getroffen door wat de Thai onomwonden de Oliecrisis 2000 noemen. Vrijwel elke dag komt de regering met nieuwe maatregelen die moeten voorkomen dat het land weer in een neerwaartse spiraal afglijdt. Eigenaren van bussen en boeren krijgen subsidie op diesel. Minister Suwat Lipatapanlop van Industrie kreeg bezoek van Esso, Shell en Caltex. Een liter diesel kost bij hen omgerekend negentig cent per liter, maar dat is zestig satang (4 cent) méér dan aan de pompen van staatsoliebedrijf PTT. Of de minister dat even recht wil trekken.

Dan gaan we wel in Maleisië tanken, zeggen Thaise automobilisten. Daar is de benzine de helft goedkoper, maar inmiddels hevelt de politie uit auto's die met meer dan een halve tank Thailand binnenkomen, alle benzine. Kleintje bier vergeleken met de honderdduizenden liters Maleisische benzine die sinds de oliecrisis over zee in omgebouwde vissersboten naar Thailand worden gesmokkeld.

Van alle getroffen landen is Indonesië het zwaarst door de Azië-crisis geraakt en herstelt het zich ook het langzaamst. De rente over de buitenlandse staatsschuld slokt dit jaar omgerekend 17 miljard gulden op – ruim zeven procent van het bruto binnenlands product. Maar voor olie-exporteur Indonesië is de dure olie een geschenk uit de hemel. Ze zal de redding betekenen van de Indonesische staatskas.

In olieproducerend Maleisië is politieke onenigheid ontstaan over wie de winsten krijgt. De olie wordt voor de kust van Terrenganu gewonnen, een deelstaat die tot februari in handen was van de partij die in Maleisië sinds jaar en dag de dienst uitmaakt, UMNO. Aartsrivaal PAS behaalde toen een verkiezingsoverwinning en spekt de partijkas met het oliegeld. Een nachtmerrie voor minister-president Mahathir, die geen oppositie kan velen en alles op alles zet om alle oliewinsten naar de hoofdstad Kuala Lumpur te loodsen. Tot nu toe tevergeefs.

Stakingen en blokkades, zoals in Europa, zijn in Japan nog niet gesignaleerd. Sinds de oliecrises van de jaren zeventig heeft Japan fors geïnvesteerd in energiebesparing en atoomenergie. Vergeleken met andere industrielanden is de hoeveelheid energie die Japan consumeert uitermate laag. ,,Japan heeft nog adem over om zich aan hogere energieprijzen aan te passen'', concludeerde dezer dagen een buitenlands effectenhuis in Tokio, ,,andere landen wellicht niet.''

Ook Afrika kent winnaars én verliezers. De bodem van Zuid-Afrika zit vol met bijna elke bestaande gift van moeder aarde, maar met één ding is zij een beetje zuinig geweest: olie. Elektriciteitscentrales worden op steenkool gestookt – daarvan heeft het land wel enorme voorraden. In Afrika gaan stemmen op voor de stichting van een Afrikaanse Opec. Ook de huidige Opec-leden Algerije, Libië en Nigeria zouden daarvoor belangstelling hebben, met als achterliggende gedachte dat Afrikaanse landen elkaar meer moeten steunen. Enkele Afrikaanse landen, met name Angola, beschikken over grote, nog onaangeboorde olievelden voor de kust. Het Zuid-Koreaanse Samsung kondigde vorige maand de bouw aan van een raffinaderij in Angola met een opbrengst van 200.000 vaten per dag. Zuid-Korea, dat netto-importeur van energie is en een energie-intensieve economie kent, zucht zwaar onder de dure olie.

Ten slotte de Verenigde Staten, waar volgens sommigen de bron van alle problemen ligt. Eerder dit jaar stuwde de benzineschaarste de mondiale olieprijzen op. Doordat de raffinaderijen daarop massaal inzetten op extra benzineproductie, dreigt nu een verontrustend tekort aan huisbrandolie. Bij een strenge winter zal dat de mondiale olieprijzen nog verder opstuwen.

Inmiddels is de raffinage van huisbrandolie op gang gekomen. Deels komt dit te laat. Voor de maand september verwacht ConEdison, de grootste energieleverancier in de staat New York, al een prijsstijging van veertien procent. President Clinton heeft deze week beloofd een buffervoorraad van twee miljoen vaten aan te spreken, die vanaf 1 oktober beschikbaar komt.

Volgens Michael Economides van het Energy Institute aan de universiteit van Houston heeft de Opec op dit moment niet de capaciteit om haar productie drastisch te verhogen. En al hadden de OPEC-ministers afgelopen weekeinde op de conferentie in Wenen tot een drastische productieverhoging besloten, dan nog zouden er niet genoeg tankers in de wereld zijn om de olie snel te distribueren. De VS springen slordig om met hun infrastructuur, de distributie is niet op orde. Economides: ,,De Opec is niet het probleem, de Opec is de zondebok.''

Samenstelling Paul Friese, met bijdragen van Karel Berkhout, Jan Gerritsen, Robert Giebels, Lolke van der Heide, Pieter Kottman, Lucas Ligtenberg, Hans van der Lugt, Renée Postma, Hans Steketee, Dirk Vlasblom en Frank Westerman.