REKENMEISJE

Er bestaan verschillen tussen meisjes en jongens bij het vak rekenen-wiskunde (`Meisje slechter in reëel rekenen maar zet wel door', W&O, 9 september). Vaak wordt gedacht dat deze verschillen ontstaan doordat de situaties waaraan de `realistische' sommen zijn opgehangen de meisjes niet zo aanpreken. Opgaven over baby's zouden dan een oplossing kunnen zijn. Een onderzoekje dat in elke klas kan worden gedaan, leert echter dat het niet aan de context ligt dat meisjes het minder goed doen dan jongens. De scheidslijn ligt niet tussen kale opgaven en contextopgaven, het gaat om de rekeninhoudelijke kenmerken.

Jongens zijn doorgaans beter in het rekenen met grote getallen met veel nullen, of het nu een opgave is met alleen getallen of een aangeklede opgave. Hetzelfde geldt voor opgaven die op een handige manier kunnen worden opgelost. Neem 60x0,25. Jongens maken er 60:4 van. Meisjes gaan cijferend vermenigvuldigen met alle gevolgen van dien, want ze lopen een grote kans verstrikt te raken in het plaatsen van de komma. Natuurlijk is dit zwart-wit gesteld, maar het geeft wel de trend aan die in veel klassen is terug te vinden. Voor basisscholen die hieraan wat willen doen, is door het Freudenthal Instituut een nascholingsmodule ontwikkeld.