OVERROMPELENDE LEVENSLESSEN

Kinderen lezen niet om literaire waarden, maar om te genieten èn om met hun stemmingen om te gaan. Maar in het literatuur-onderwijs bestaat voor deze cruciale vorm van lezen geen aandacht.

`Als ik lees dan denk ik dat er muizen in mijn buik met vlaggetjes pret maken. Van binnen.' Dit zegt een negenjarig meisje in het proefschrift van communicatiewetenschapper dr. Lilian van der Bolt, getiteld `Ontroerend goed, een onderzoek naar de affectieve leeservaringen van leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs'. Uit haar onderzoek blijkt dat kinderen die veel lezen, ervaren dat boeken bepaalde gevoelens oproepen. Ze pakken daarom een boek als zij bijvoorbeeld een slecht humeur willen verdrijven, tot rust willen komen of gewoonweg hun goede stemming willen behouden. Sommige frequente lezers gebruiken bepaalde boeken of passages zelfs als `braakmiddel'. Zij kiezen ervoor om in bepaalde omstandigheden telkens weer dat ene verhaal te lezen en laten zich iedere keer weer overrompelen door de gevoelens die de tekst oproept. ``Wie veel leest ontwikkelt dus een zekere lenigheid in het omgaan met stemmingen en gevoelens'', betoogt Van der Bolt. ``Daarom zou het litera! tuuronderwijs meer aandacht moeten besteden aan de beleving van het lezen.''

``Er is iets bijzonders aan de hand met het geschreven woord'', zegt Van der Bolt in haar huiskamer in Gouda. ``Je leert op school lezen en als je dat onder de knie hebt zou je verwachten dat de school zich er niet meer mee bemoeit, maar dat doet de school wel. Aan literatuur is namelijk cultureel erfgoed verbonden. En dus bemoeit de school zich ook met hoe je dat erfgoed moet lezen door `objectieve' waarden die ons door literatuurcritici worden opgelegd over te dragen'', aldus Van der Bolt. ``Het gevolg is dat leerlingen die op de basisschool graag lazen een afkeer ontwikkelen tegen lezen, omdat zij ineens móeten lezen. Daarbij staat hun persoonlijke beleving niet langer centraal, maar de eisen binnen het literatuuronderwijs en het lezen met een analytische houding. Maar vragen over symboliek spreken een leerling niet aan, die geníet van een boek. Dát moet je aanspreekpunt zijn.''

Onbruikbaar

Zwart-wit gesteld verwordt het boek binnen het traditionele literatuuronderwijs tot een `zoekplaatje': wat is de plot, wie zijn de hoofdpersonen. De leerling leest een boek met een lijstje vragen ernaast en kan het zich niet veroorloven op te gaan in het verhaal. ``Betrokkenheid bij een boek maakt reflectie onmogelijk en omgekeerd'', schrijft Van der Bolt, die dat illustreert met haar eigen ervaringen. ``De avond voor mijn mondeling examen Nederlands las ik `De komst van Joachim Stiller' van Hubert Lampo. Ik had het hele Stiller-mysterie letterlijk met iedere vezel in mijn lichaam en met al mijn zintuigen doorleefd en dat genereerde zoveel en zo intense emoties dat niets aan mijn aandacht ontsnapt kon zijn. Toch kon ik geen antwoord geven op de vragen van de docent naar de bijbelse symboliek in het boek. Uiteindelijk beschuldigde hij mij ervan dat ik het boek niet had gelezen, terwijl ik nog helemaal vol zat van de spiritualiteit van het verhaal. Voor mijn mondeling had ik ! dus beter een uittreksel uit de bibliotheek kunnen halen, dan had ik die vragen wel geweten.''

Voor gevoelens is in het literatuuronderwijs geen plaats. Sterker nog: literatuurcritici uiten zich hierover nogal eens geringschattend. Van der Bolt citeert NRC Handelsblad-recensent Arnold Heumakers die zegt: ``Ik heb niets tegen ontroering en geslik, gesnotter en gesnif onder de leeslamp. Maar als hoogste literaire criterium is ontroering toch iets dat ik vooral associeer met de puberteit. Voor wie pas begint te lezen, naïef en onervaren, zijn boeken die de tranen doen vloeien de beste. Er loopt een vochtig pad van `Alleen op de wereld' naar de echte literatuur. Daarna worden echte criteria belangrijker.''

levenslessen

Volgens Van der Bolt gaat het literatuuronderwijs volledig voorbij aan de andere lessen die de literatuur schenkt: levenslessen. ``Wie zich laat meeslepen door een boek doorleeft een heel scala aan emoties. Die sla je op in je hoofd. Zo ontwikkel je een heel scenario aan gevoelens in je hoofd. Die maken het makkelijker om de werkelijkheid te hanteren. In dat opzicht zijn boeken een instrument dat een belangrijke bijdrage kan leveren aan de emotionele en sociale ontwikkeling van een kind.''

Wie kinderen aan het lezen wil krijgen en houden moet er voor zorgen dat ze er plezier in hebben. Volgens Van der Bolt kan lezen alleen bevorderd worden door aandacht te schenken aan de betrokkenheid die een kind voelt met een boek. ``Docenten moeten ingaan op de gevoelens die de kinderen ervaren tijdens het lezen en die maken dat een boek hen raakt. Dat kan ontroering zijn, maar ook angst of boosheid.'' Overigens blijkt uit het onderzoek dat meisjes meer en sterkere emoties ervaren tijdens het lezen. ``Meisjes kunnen precies uitleggen wat voor lach de glimlach is die ze bij een bepaalde passage voelden: een ingehouden schaterlach of vertedering.'' Van der Bolt wijt dit aan de opvoeding. ``Het klinkt ouderwets, maar het speelt nog steeds een rol. Van oudsher worden meisjes voorbereid op een zorgende rol, waarin ze omgaan met kinderen en met hen praten over gevoelens.''

De betrokkenheid die lezers voelen bij een boek kan ver gaan, zo blijkt uit de citaten in Van der Bolts onderzoek. Een jongen van elf zegt: `Ik heb af en toe het gevoel dat ik meedoe in het verhaal. Als de hoofdpersoon of als iemand anders. Bijvoorbeeld in de bevrijding van Old Shatterhand en in `De Heksen' van Roald Dahl. Daarin voel ik me als de hoofdpersoon. Ik strijd tegen de heksen tijdens het lezen.' En een vijftienjarige jongen vertelt dat hij uit boosheid soms zijn eigen verhaallijn fantaseert. Dan is hij `boos, ja op die zogenaamde vrienden van Alice in Go ask Alice [Het onkruid en de bloem] door wie zij aan de drugs raakt. Dan zou ik haar wel willen troosten. Een arm om haar heen slaan of zo. Dan fantaseer ik dat ik dat ook in werkelijkheid doe. Soms dwaal je dan af. Wie weet waar je dan eindigt. Ik maak af en toe een heel eigen verhaal. Bijvoorbeeld bij boeken die slecht aflopen.'

Het idee dat sterke betrokkenheid bij een boek een (afkeurenswaardige) vlucht uit de werkelijkheid zou zijn, doet volgens Van der Bolt de lezer tekort: ``Er wordt niet alleen gelezen om een slecht humeur te verdrijven. Er wordt ook gelezen om een prettige stemming te continueren. Dat kan slecht als vluchtgedrag geïnterpreteerd worden.''

Het onderzoek naar emotioneel belevend lezen vond plaats in het kader van het langlopende onderzoek `Kind en Boek'. Onder leiding van initiatiefnemer dr. Saskia Tellegen is hierin onder meer leesmotivatie en verbeelding tijdens het lezen van boeken onderzocht. Van der Bolt onderzocht door middel van vragenlijsten bij 3025 scholieren tussen negen en zeventien jaar wat hun leesmotieven waren. Door ruim honderd interviews met scholieren onderzocht zij de beleving van emoties tijdens het lezen. Hiervoor noteerde zij een veertigtal uitspraken zoals `ik word bang tijdens het lezen' en `ik moet wel eens huilen bij een boek' op kaartjes. De geïnterviewde moest de kaartjes op drie stapels leggen: `heb ik ook', `heb ik niet', `heb ik soms'. ``Je moet kinderen een handvat bieden'', zegt Van der Bolt over deze techniek. ``Als je zomaar vraagt `hoe vond je het?' kom je niet verder dan `wel leuk'. Dit systeem werkte. Ik raakte altijd met leerlingen aan de praat.''

logboekje

Van der Bolt hoopt met haar studie een bijdrage te leveren aan een nieuwe vorm van literatuuronderwijs. Daarin moet naast het `kritisch en met afstand lezen' ook het `lezen met betrokkenheid en overgave' gestimuleerd worden. Voor beide manieren van lezen moeten leerlingen vaardigheden krijgen aangereikt. Binnen het Studiehuis is er al wel meer aandacht voor emoties tijdens het lezen. Er zijn scholen waar kinderen een logboekje bijhouden met hun leeservaringen. Zomaar in de klas praten over gevoelens die een boek oproept kan lastig zijn, denkt Van der Bolt, omdat het toch erg persoonlijk is. ``Maar er is wel meer openheid op scholen rondom allerlei gevoelige onderwerpen, dus deze manier van praten over literatuur kan juist nu wel een goede voedingsbodem vinden. Als docent hoef je in ieder geval niet bang te zijn dat dit soort gesprekken niets opleveren. Ik heb gemerkt dat álle kinderen ooit iets gelezen hebben waarbij zij gevoelens hebben gehad. Zelfs vbo-leerlingen d! ie van zichzelf zeiden dat ze nooit lazen. Tijdens mijn eerste interview op het vbo kreeg ik een stoer joch tegenover me van een jaar of vijftien, zwart leren jack, baseballpetje, gouden kettingen. In eerste instantie dacht ik `dat wordt niks', maar ook hij bleek gevoelens te hebben gehad bij het klassikaal lezen van het boek `Boerderij der dieren' (Animal Farm). Hij kon het verhaal zo navertellen.''

Van der Bolt heeft zich in haar onderzoek bewust verre gehouden van de vraag of het lezen van literatuur beter is dan het lezen van lectuur. ``Als een kind graag stripboeken leest: prima. Ieder boek kan emoties oproepen. Het zou kunnen dat literatuur veel gevarieerdere en complexere emoties uitlokt, maar als ik dat zeg, kijk ik alleen naar mijn eigen leeservaringen. Een lezer kan helemaal opgaan in een verhaal, waar de inhoud er eigenlijk niet toe doet. In mijn boek beschrijf ik de ervaringen van de schrijver Roger McGough, die vertelt hoe hij in de oorlog gefascineerd luisterde naar zijn moeder, die wegens de schaarste aan boeken van lieverlee de bereidingswijze op het blik Ovomaltine aan haar kinderen voorlas. `All tucked up and cosy my favourite story was a tin of Ovomaltine. How well I remember her voice even now: `Sprinkle two or three heaped teaspoonsful of'.''