Nieuw geld

De euro is van ons allemaal'', zei plotseling een neutrale televisiestem. Hoe lang geleden alweer? Het was zo'n soort veelbetekenende mededeling van de overheid waarmee je je geen raad weet. Het zal wel, denk je vaag. Of in een kritische bui vraag je je af: wat bedoelen ze? Hoeveel euro's? Wie allemaal? En je peinst wat voor je uit: dat je sommige mensen veel meer euro's gunt dan andere. Een matig mens is zijn vrijheid waard, wilt u zitten, ik kan staan. Je moet een bijzonder talent hebben om zulke teksten te kunnen schrijven. Het is een genre van aforismen waardoor de overheid laat weten dat ze met ons allemaal de beste bedoelingen heeft, terwijl niemand van ons zich er iets van aan hoeft te trekken. Dat denken we. Maar langzamerhand worden we toch rijp gemaakt voor onze volgende werkelijkheid.

Geldstukken hebben iets menselijks. Sommige zijn op het eerste gezicht al innemend en blijven dat, van andere weet je niet hoe vlug je ze kwijt moet raken. Het metaal, de cijfers en de letters, de dikte, de zwaarte, het geheel, – het is moeilijk te zeggen. Als kind vond ik de munt van tweeënhalve cent geslaagd. Dat kwam door de flinke diameter en de mooie antieke 2, gevolgd door het `halve' dat werd weergegeven in twee cijfers met een schuin streepje ertussen. De halve cent had dezelfde charme. Het dubbeltje zag er toen al niet aardig uit, en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Klein en dun en, hoewel twintigmaal zoveel waard als het halfje, geen gevoel van rijkdom gevend. Nu nog niet, trouwens; en met de Amerikaanse dime heb ik hetzelfde. De Zweden hebben een soort dubbeltje dat er precies zo uitziet als het onze, en dat je dus wel eens tussen je wisselgeld vindt.

Zilveren guldens en rijksdaalders waren mooi toen ze nog van zilver waren. De kleinere munten van deze naam die we nu hebben, zullen voor kinderen misschien dezelfde attractie hebben, maar als je eenmaal de oude hebt gekend, blijven ze een tekort houden (hoewel je ze in je broekzak goed kunt laten rinkelen). Het best geslaagd vind ik de munt van vijf gulden: lekker dik, nog altijd veel waard, en je kunt hem oppoetsen.

Het nog niet zo oude Franse 10 francs-stuk, alweer jaren uit de circulatie, heeft dezelfde – hoe moet je het noemen, iets naar analogie van Kousbroeks aaibaarheid: pakbaarheid, dat is het niet, maar u begrijpt wat ik bedoel. Ik bewaar zo'n munt met de kop en het vliegtuig van de aviateur Roland Garros. En om nog één voorbeeld van een geslaagde munt te noemen: het Amerikaanse kwartje, de quarter, een alleszins deugend voorbeeld van goed geld waaraan niet gefrunnikt is. Het heeft ook de goede geldglans. Het hebben – niet het uitgeven – van zo'n stukje metaal is een psychisch/fysieke, durende ervaring.

Nu de euro. Je krijgt hem af en toe te zien, op foto's of op televisie. Van twee metalen gemaakt, ziet er niet slecht uit. Maar toch gaan de volken van alle landen die eraan meedoen, een blind date tegemoet. Op 1 januari 2002 zullen binnen een paar uur miljoenen Europeanen kunnen vaststellen hoe het met de pakbaarheid van hun nieuwe munt gesteld is. Liefde op het eerste gevoel, ongeneeslijke weerstand, het afstotingsmechanisme in werking, er kan van alles gebeuren. Het is onvoorspelbaar, zoals het verloop van iedere blind date.

Daarna komt het inburgeren. Dat is ook een taalkundige kwestie. In de laatste druk van de grote Van Dale, de dertiende herziene uitgave, neemt het lemma `Gulden' 5 centimeter in beslag, dat van het dubbeltje 4, het kwartje 3,9, en de al jaren niet meer bestaande cent 11,5. Het viel me tegen. Als citaten bij gulden geeft het woordenboek: eind 1998 kostte een scheerbeurt in Paramaribo 1000 gulden; Victory Boogie Woogy van Mondriaan heeft 80 miljoen gulden gekost. Dat lijkt meer op een rekensom: hoeveel keren kun je je in Paramaribo laten scheren voor één Victory B.W. Er moeten meer staande uitdrukkingen zijn dan het woordenboek opsomt. Hij valt dood op een gulden, staat er niet in. Maar verder zou ik op dit ogenblik ook niets weten te verzinnen.

Uit de exacte metingen zouden we kunnen opmaken, dat de invoering van de euro niet meer dan een verwaarloosbare invloed op de taal zal hebben. Maar de taal zegt niet alles. Er zijn omstandigheden waarin woorden tekort schieten. Munten geven in vorm en materiaal misschien de gestalte aan de conservatiefste beroeringen. Het is jammer dat we niet weten wat de mensen tegen elkaar hebben gezegd toen de goudstukken uit de circulatie verdwenen. De natie beschouwde het als een zwarte dag toen de gouden standaard werd verlaten. Later bleek het mee te vallen. Nu staat er iets veel radicalers te gebeuren. Zal de pakbaarheid van de euro die van de mark, de gulden, de franc overtreffen? Ik heb een vermoeden; dat is nog geheim.