Massale publiciteit `maakte' Molukse jongeren

Nederland is weer in de ban van een `Molukse kwestie'. Het land wordt overspoeld met berichten over radicale jongeren, dreigingen met aanslagen, historische verantwoordelijkheden en falende overheden en leiders. Over en weer brandmerkt men elkaar naar hartelust. Het meest frustrerend is dat daardoor de situatie op de Molukken uit het zicht lijkt te verdwijnen, vindt Fridus Steijlen.

Eind augustus dreigden enkele Molukse jongeren met geweld als de Nederlandse regering niet beter haar best zou doen om het bloedvergieten op de Molukken te stoppen. In eerste instantie werd daar weinig aandacht aan besteed. Maar begin september publiceerde NRC Handelsblad een artikel met de eisen en dreigementen van jongeren. Daarna was het hek van de dam. In een mum van tijd werden de Vrije Molukse jongeren overal en nergens geciteerd.

Door verwijzingen in een pamflet van die Molukse jongeren naar het koloniale verleden en de acties in de jaren zeventig, en door het Nederlandse trauma over de gebeurtenissen uit die tijd, werden de dreigementen in het verlengde van de gijzelingsacties geplaatst en verbonden met de RMS, de onafhankelijke Zuid-Molukse republiek.

De dreigementen werden zo in een verkeerde context geplaatst. Ze waren bedoeld om een interventie van de Verenigde Naties op de Molukken af te dwingen. De acties in de jaren zeventig waren daarentegen gericht op de realisering van een vrije RMS. Het lot van het merendeel van de Molukse bevolking in Nederland was daar toen in zekere zin ook meer mee verbonden omdat men ervan overtuigd was terug te keren als de RMS was gerealiseerd.

Tegenwoordig hebben de meeste Molukkers die overtuiging niet meer. Nu bestaat het RMS-ideaal van de meeste Molukkers in Nederland uit het zelfbeschikkingsrecht voor het Molukse volk op de Molukken, met wie zij onder andere zijn verbonden via verschillende verenigingen en organisaties.

Veel Molukkers zijn op dit moment betrokken bij allerlei initiatieven om vluchtelingen daar te helpen en zitten helemaal niet te wachten op geweldsdreigementen. De radicale uitlatingen zijn daarom in het geheel niet representatief voor de gevoelens binnen de gemeenschap. De machteloosheid en gevoelde noodzaak dat er iets moet gebeuren en dat Nederland achterblijft in zijn solidariteit, kan een gedeeld gevoelen zijn binnen de Molukse gemeenschap, de vertaling daarvan naar dreigingen met geweld is dat in ieder geval niet.

Het bloedige conflict op de Molukken dat in januari 1999 uitbrak liep weliswaar langs religieuze lijnen, maar had een politieke achtergrond. Na een jaar leek er een perspectief op verzoening tussen Molukse christenen en moslims te ontstaan. Dit werd echter wreed verstoord door islamitische activisten van buiten de Molukken, die opnieuw geweld uitlokten.

Op verzoeken uit de Molukse gemeenschap aan de Nederlandse overheid iets voor de Molukken te doen, werd in het begin traag gereageerd. Na demonstraties, inzamelingsacties en lobbywerk vanuit de Molukse gemeenschap kwam de overheid over de brug met een miljoen gulden aan steun voor de Molukken. Op politiek niveau – bij het onder druk zetten van de Indonesische autoriteiten om deze te pressen het bloedvergieten op de Molukken te stoppen – leek Nederland afwezig. Er waren uitspraken van bezorgdheid en een wat onhandig geformuleerde brief van minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen met een aanbod voor militaire steun.

Toen de Indonesische president Wahid een balletje opgooide over een eventuele rol voor oud-premier Lubbers in het Molukse conflict, ging de discussie meer over de vraag of Van Aartsen werd gepasseerd dan over de vraag hoe deze door Wahid opengezette deur optimaal benut kon worden. Dat was jammer, want materiële ondersteuning voor bijvoorbeeld de Indonesische marineschepen die werkloos aan de kade liggen wegens gebrek aan reserveonderdelen, was juist broodnodig om of de islamitische activisten tegen te houden of Indonesische troepen die partijdig waren geworden te vervangen.

Ongetwijfeld heeft de Nederlandse overheid via de `stille' diplomatie signalen gegeven en verklaard bereid te zijn te helpen. Het is de vraag of dat genoeg was. Als gevolg van het koloniale verleden kenmerkt de Nederlandse diplomatie tegenover Indonesië zich namelijk door zelfcensuur. Wat belangrijk is, is dat de Nederlandse overheid in ieder geval aan de Molukse gemeenschap niet duidelijk maakte dat zij iets deed aan `de Molukken'. Dat had tot gevolg dat er een groeiend gevoel van onvrede ontstond binnen die gemeenschap, die ook bij haar vele stille tochten en op de benefietfeesten en andere initiatieven weinig Nederlandse solidariteit ervoer.

De media kwamen wel naar stille tochten en soms benefietfeesten. Maar al te vaak zocht men daar echter naar onderwerpen die refereerden aan wat de Nederlandse samenleving altijd verwacht van Molukkers: frustraties en uit de hand lopende demonstraties. Er kon niet duidelijk worden gemaakt dat frustraties over maatschappelijke posities in Nederland iets anders is dan onrust en bezorgdheid over je familie op de Molukken. Nederlanders bleven vragen naar de relatie tussen demonstraties en sociale ontevredenheid van Molukkers in Nederland.

Bovendien toonden de media zich extra gevoelig voor radicaliseringstendensen onder Molukkers. Zo meldde Trouw vlak voor de zomer een BVD-gerucht over een mogelijke aanslag op de koningin waar Molukkers bij betrokken zouden zijn. Andere media hadden dat bericht genegeerd omdat het te weinig basis had. Een dag later nuanceerde de krant het verhaal. Het stigma was echter al bevestigd.

En nu is de aandacht al weer twee weken gevestigd op de Vrije Molukse jongeren. Iedereen wilde de twee radicale woordvoerders spreken en hun woorden werden gretig geciteerd. De gevestigde Molukse leiders die om commentaar werden gevraagd, reageerden erg voorzichtig en de Nederlandse regering klungelde in de Verenigde Naties met de vraag of men wel of niet iets over de Molukken moest zeggen. Als iemand een documentaire over die laatste twee weken zou willen maken zou `the making of the Vrije Molukse jongeren' niet misstaan.

Molukse jongeren die zich in algemene termen uitspraken voor acties, werden gezien als supporters van de radicale Vrije Molukse jongeren. Ook al bedoelden ze stille tochten, zoals ze in het televisieprogramma `De leugen regeert' toelichtten. In een filmopname vertelden ze er genoeg van te hebben voor terrorist te worden aangezien. In hetzelfde programma werden ze door een lid van het panel in dat hokje teruggestuurd. Die suggereerde dat de ,,schatjes uit dat filmpje'' niet verbaasd moesten zijn van de reacties als andere Molukse jongeren eerder ,,dat soort dingen'' hadden gezegd.

We zitten met z'n allen verstrikt in oude stigma's. Nederland als schuldige voor de koloniale tijd en altijd de Molukkers in de steek latend, Molukkers als potentiële radicalen, die alleen met de RMS bezig zijn. Dat is niet goed. Er wordt veel werk verzet door Molukkers om hulp te bieden aan de Molukken en zij zoeken vreedzame wegen om een einde te maken aan de bloedige situatie op de Molukken. En ook aan Nederlandse kant wordt wat gedaan. De Nederlandse regering, de Nederlandse bevolking en de Molukse gemeenschap kunnen daarbij met elkaar optrekken.

Misschien dat het aanstaande gesprek tussen premier Kok en Molukse vertegenwoordigers daar een aanzet toe is. Mocht dat zo zijn dan betekent dat niet dat dreigen met geweld toch nut heeft gehad. Eerder lijkt het erop dat de massale publiciteit over de Molukse gemeenschap als gevolg van `the making of' niet voor niets is geweest.

Dr. Fridus Steijlen is antropoloog en coördinator van de Stichting Mondelinge Geschiedenis Indonesië te Leiden.