Jaloezie op Jutland

In de huiskamer van Arjen en Cora Baan staat een elektronisch orgel – op de standaard een muziekboek met een feloranje kaft: `Fantasie over vaderlandse liederen'. Aan de muur hangen trouwfoto's en hun trouwtekst, psalm 121, vers 8: `De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.' Vijf dagen na hun bruiloft, op 13 januari dit jaar, verhuisden Arjen (23) en Cora (23) van hun dorp in de Alblasserwaard naar de boerderij die ze hadden gekocht in Denemarken. Vijftig koeien, vijftig hectare land, een groot woonhuis voor nog geen twee miljoen gulden.

In Nederland was Cora apothekersassistente, Arjen werkte bij de agrarische bedrijfsverzorging, hij nam het werk over van boeren die ziek waren of een paar weken vrij hadden. Vorig jaar zomer waren ze op vakantie in Jutland, het Deense schiereiland dat grenst aan Duitsland. Ze gingen langs bij kennissen uit Nederland die in Denemarken boer waren geworden. Een eigen bedrijf, voor weinig geld en met enorme uitbreidingsmogelijkheden – dat wilden ze ook. Een paar maanden later hadden ze een boerderij in Gørding, in het zuiden van Jutland.

Vreemdelingenhaat

Er wonen nu zo'n zeshonderd Nederlandse boeren in Jutland, op een totaal van bijna tienduizend melkveehouders in heel Denemarken, en ze produceren al meer dan tien procent van de melk. Na Canada is Denemarken de meest populaire bestemming van boeren die weg willen uit Nederland. Ieder jaar komen er zestig tot zeventig Nederlanders bij. Agrarische makelaars verwachten dat dat aantal de komende jaren nog zal stijgen, omdat Canada duurder wordt voor de boeren.

Een bedrijf in Denemarken kost een kwart van wat het in Nederland zou kosten, en de banken lenen er makkelijk: met tweehonderdduizend gulden eigen geld kan een bedrijf worden gekocht van bijna tweeënhalf miljoen gulden. In het zuiden en midden van Jutland wordt nu al ongeveer driekwart van de bedrijven die te koop staan, overgenomen door Nederlanders.

,,Ze kopen alles op'', zegt Keld Mikkelsen, directeur van de agrarische school in Grinsted, zuid-Jutland. ,,Het wachten is nu alleen nog op jullie varkensboeren.'' Hij zucht diep. Voor de leerlingen zijn de Nederlanders ,,een enorme bedreiging''. ,,Ze drijven de prijzen op. Jonge Denen die een eigen bedrijf willen beginnen, hebben niet zoveel geld als zij.'' De school zelf probeerde drie maanden geleden een boerderij in de buurt kopen, er is nieuwe praktijkruimte nodig. Mikkelsen bood 2,7 miljoen gulden, een Nederlander werd eigenaar voor 3 miljoen. Hij zucht opnieuw. ,,We kunnen er niks tegen doen. We worden weggedrukt. Denen zullen moeten uitwijken naar Polen of Letland.''

Op 6 november organiseert de belangenorganisatie van jonge boeren in Zuid-Jutland een `protestbijeenkomst'. Niet tegen de Nederlanders, zegt de voorzitter, Peter Jørgensen (28). Hij denkt dat ieder volk wel `nationale gevoelens' heeft, maar van vreemdelingenhaat wil hij niet worden beschuldigd. Het is een protest tegen hun eigen regering, die te weinig voor hen doet. Ze zullen eisen dat de minister van Financiën het voor jonge boeren aantrekkelijker maakt om te sparen. Subsidies willen ze ook, en goedkope leningen. ,,Alléén voor de Denen'', zegt Jørgensen. ,,We moeten kunnen concurreren met de Nederlanders. Als het zo doorgaat, verliezen we.''

Maar zijn de Nederlandse boeren die zich in Denemarken vestigen wel zo rijk? Volgens een onderzoeksrapport over de Nederlanders in Jutland, dat afgelopen voorjaar werd gemaakt in opdracht van de universiteit van Kopenhagen, had eenderde van de boeren een eigen bedrijf voordat ze naar Denemarken emigreerden. De anderen hadden dat niet. Ze werkten in loondienst op een boerderij of in een maatschap met hun vader of broer. Ze hadden vaak een paar honderdduizend gulden – niet veel meer dan de meeste Deense jongeren hebben als ze een bedrijf overnemen.

,,Het is de eigen schuld van die jonge Denen'', zegt Anja Korevaar (21). Ze is met haar vriend Frido Schep (22) en de Nederlandse makelaar Hans de Vries op zoek naar een boerderij. Ze lunchen in een wegrestaurant. Anja heeft lang, donkerblond haar, ze draagt een vlecht. Vorig weekend, vertelt ze, waren ze in discotheek Blue Bell in de stad Varde, in het zuidwesten van Jutland. ,,Als je ziet wat ze daar uitgeven. Ze gaan er met een taxi naartoe, dat kost zo tachtig gulden. Dan drinken ze tot ze van de barkruk vallen. En met de taxi naar huis, wéér tachtig gulden.''

Anja en Frido komen ook uit de Alblasserwaard. Frido, die op de middelbare agrarische school zat, liep twee jaar geleden stage bij een Nederlandse boer in Jutland. Het landschap vond hij lelijk. Hij miste de slootjes, knotwilgen en de oude boerderijen uit zijn eigen streek. Maar als hij 's ochtends de koeien uit het weiland haalde, en hij zag in de mist vossen wegrennen, dan vond hij Denemarken toch wel bijzonder. En hij besefte dat hij in Nederland nooit een eigen melkveebedrijf zou hebben. Hij zou er geen boerderij kunnen kopen. Zijn grootvader was boer geweest, hij was naar Brazilië geëmigreerd en daar failliet gegaan. Frido's vader werd politieman.

Na zijn stage kreeg Frido verkering met Anja. Als ze bij hem bleef, zei hij, zou ze mee moeten naar Denemarken. Anja werkt op een accountantskantoor, haar vader heeft een boerderij. Ze had eerder vriendjes die `burger' waren, ze klaagden dat het stonk bij haar thuis. Anja wilde een boer als man, en nu zoekt ze samen met Frido een bedrijf in Denemarken. Soms maakt ze zich zorgen. Omdat hun kinderen in dit land zullen opgroeien. Ze schrok van wat ze zaterdagavond zag in de discotheek. Zoveel dronken mensen, drugsgebruikers. ,,Het is hier heel anders dan in Nederland. De kerk organiseert niks voor jongeren.'' Zelf gaat ze in het weekend vaak naar Hotel Gorinchem. In een zaal van het hotel komen vooral christelijke jongeren uit de omgeving bij elkaar. Er is geen muziek.

De eerste boerderij die Anja en Frido met de makelaar bezoeken, ligt in het zuiden van Jutland. Zestig hectare land, een oude, verwaarloosde stal en achtenveertig magere koeien. Vraagprijs: ruim 2,3 miljoen gulden. De eigenaar is vijfenzestig, zijn zoons willen het bedrijf niet overnemen. ,,Ze hebben geen zin om hard te werken.'' Afgelopen voorjaar had hij de boerderij bijna verkocht aan een Deense jongen, maar de vriendin van de jongen wilde niet op een boerderij wonen. Nu vraagt hij bijna driehonderdduizend gulden meer dan in het voorjaar. Waarom? Hij grijnst. Anja, Frido en de makelaar staan niet in zijn buurt. Dan zegt hij: ,,Nederlanders zijn gewend aan hoge prijzen.''

Laarzen

In 1521 haalde de Deense koning Christiaan II zo'n tweehonderd Nederlandse groentetelers naar zijn land. Hij verdreef de inwoners van het eiland Amager bij Kopenhagen en gaf het aan de Nederlanders. De bedoeling was dat ze groenten verbouwden voor de hoofdstad, en dat de Denen van hen leerden. Op het eiland is nu een museum met voorwerpen, kleding en portretten van de Nederlanders. ,,Zij maakten zich'', staat er in een bijschrift, ,,onmisbaar door de kwaliteit van hun producten, moderne methoden, vlijt en bescheidenheid.''

In een vergaderzaal van de universiteit van Kopenhagen zit Claus Bjørn, hoogleraar agrarische geschiedenis. ,,Onze melkveehouders'', zegt hij, ,,dachten dat ze de beste in de wereld waren.'' Hij lacht hard. ,,Nu komen de Nederlanders, en die doen het beter.'' In het rapport `Nederlandse boeren in Denemarken – bezorgdheid of bewondering?', dat onder zijn leiding werd geschreven, staat dat Nederlandse boeren over een paar jaar zo'n dertig procent van de melk in Denemarken zullen produceren.

Deense boeren roddelen dat dat komt doordat Nederlanders verboden bestrijdingsmiddelen en te veel kunstmest gebruiken, en dat ze hun koeien zelf antibiotica geven – in Nederland mag dat, in Denemarken niet. De onderzoekers konden er geen bewijzen van vinden. Wat ze wel ontdekten: de Nederlanders werken veel harder dan de Denen. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds. Soms tot negen of tien uur. De Denen houden er om zes uur mee op. Ze zitten op voetbal, op gymnastiek of in het bestuur van de dorpsvereniging, en in het weekend nemen ze vaak vrij. Wat de Nederlanders doen, vinden de Deense boeren dwaas. Die slapen, zeggen ze, met hun laarzen aan.

Theo Donderwinkel van de voedercoöperatie ABCTA Lochem begeleidt Nederlandse boeren die zich in Denemarken vestigen. Speciaal voor hen produceert het bedrijf ook in Jutland. De Denen, zegt hij, hebben de afgelopen jaren veel geleerd van de Nederlanders. Nederlandse boeren hebben bijvoorbeeld een systeem in het voeren: als een koe net melk begint te geven, krijgt die vaker en méér voer. Dat verhoogt de melkproductie. En de samenstelling van Nederlands voer is al veel langer dan het Deense gericht op het produceren van eiwit in de melk. Er is een quotum voor het vetgehalte en voor de hoeveelheid melk, maar nog niet voor het eitwitgehalte. Als er meer eiwit in de melk zit, krijgen de boeren een hogere literprijs.

Het waren volgens Donderwinkel ook Nederlanders die Denen op het idee brachten minder voederbieten en meer maïs te verbouwen. Maïs is minder bewerkelijk, en boeren krijgen er Europese subsidie voor, voor voederbieten niet. Deense boeren werken nu vaker met grasland dat vier of vijf jaar meegaat, `blijvend grasland', net als Nederlanders. Ze waren gewend aan één- of tweejarig gras. Het blijvende gras heeft meer verzorging nodig, maar de kwaliteit ervan is hoger en het levert meer melk op.

Bijna alle lokale centra voor landbouwvoorlichting hebben nu een Nederlander in dienst die Nederlandse boeren adviseert. Een centrum in het zuidwesten van Jutland publiceert sinds kort ook nieuwsbrieven in het Nederlands. Ze proberen Nederlanders duidelijk te maken dat die lid moeten worden van de boerenorganisaties. ,,Ze snappen maar niet hoe het hier werkt'', zegt Jørgen Kristensen, adviseur van het landbouwcentrum in Varde. Ze komen niet op vergaderingen, ze hebben geen belangstelling voor lezingen, en de helft koopt nog steeds veevoer van bedrijven in Nederland, niet van de Deense coöperaties. Ze maken ook gebruik van de Nederlandse adviseurs van die bedrijven, omdat die `gratis' zijn, voor adviezen van het landbouwcentrum moeten ze betalen. Het Deense systeem, van lokale, democratische organisaties en politiek actieve leden, zal instorten als de Nederlandse boeren niet meedoen, denkt Kristensen. Maar hoe krijgen ze Nederlanders zover dat die zich gaan interes! seren voor de Deense `boerencultuur', de traditie van samenwerken en overleg? Kristensen: ,,Moeilijk. We moeten het nóg harder proberen.''

Makelaar Hans de Vries, die al vanaf 1986 in Denemarken woont, is gevraagd om op een bijeenkomst van een landbouwcentrum in zuid-oost Jutland een lezing te houden over de Nederlanders. Hij zal uitleggen hoe de Deense adviseurs met hen moeten omgaan. ,,Een Deense voorlichter vraagt een boer: `Wat denk je er zelf van? Wat zijn je plannen?' Een Nederlander houdt daar niet van. Hij wil weten wat de mogelijkheden zijn van zijn bedrijf, hij wil een concreet advies.''

De Nederlanders, zegt directeur Mikkelsen van de agrarische school in Grindsted, ,,raken geïsoleerd omdat ze zo hard werken. De taal wordt een probleem. Ze doen niet mee aan het sociale leven.'' Uit het rapport van de universiteit blijkt dat de Nederlanders zélf vinden dat ze doen wat ze kunnen. Ze gaan naar dorpsfeesten, ze spreken Deens – de vrouwen beter dan de mannen, ze komen vaker in het dorp, de mannen brengen meer tijd door in de stal. En ze weten hoe ze op z'n Deens bezoek moeten ontvangen. Niet met een koekje bij het eerste kopje koffie, maar met verschillende soorten taart, cake, brood en beleg, bier en frisdrank. De hele tafel moet ervoor worden gedekt.

Tot nu toe werd er drie keer een Nederlandse kerkdienst georganiseerd, met een dominee uit Nederland. Er kwamen honderdvijftig tot tweehonderd mensen. Maar de meesten sluiten zich aan bij de Lutherse kerk, de Deense staatskerk, of, nog vaker, bij de evangelische variant daarop: de Indre Mission.

Bijbelclub

In de Alblasserwaard zaten Cora en Arjen Baan op de bijbelstudieclub van de Gereformeerde Bond, en ze waren lid van de Christelijke Plattelandsjongeren. Nu gaan ze bijna iedere zondag naar de Lutherse kerk. Maar de preek kunnen ze niet verstaan, en ze kunnen niet meezingen. Arjen volgde nog geen Deense les, Cora hield er na drie maanden mee op. Ze praten met Nederlanders in de buurt. Van de Deense buurvrouwen kregen ze, een paar weken na hun verhuizing, een plantje en een kaart, ze dronken koffie samen, maar praten lukte niet. De vrouwen spreken geen Engels.

Nee, dat vinden Arjen en Cora Baan niet goed van zichzelf. Ze moeten Deens leren, ze moeten integreren. Maar wanneer? Ze werken van 's ochtends halfzes tot 's avonds halfnegen. Ze hopen dat ze deze winter wat meer tijd hebben. Dan gaan ze op taalles, en ze willen zich aansluiten bij een Deense bijbelclub.

Denen, hebben ze gemerkt, zijn vriendelijk en behulpzaam. Maar van andere Nederlanders weten ze dat ze wel op feesten en bijeenkomsten moeten komen. Anders zullen ze er nooit bij horen. Dan worden de Denen stug.

,,Je blíjft toch een vreemde voor ze'', zegt Anke van Peet (37). Ze komt uit Giessenburg en woont nu zes jaar in het noorden van Jutland. ,,Je bent gemerkt, ze kijken je anders aan.'' Bij de smid en de bakker worden er ,,hatelijke opmerkingen'' gemaakt over Nederlanders die de melkveebedrijven in Denemarken overnemen. Als Anke en Wim van Peet een stuk grond erbij kopen, zeggen boeren uit de buurt: ,,Zeker geld wezen halen in Nederland?'' Ze hoorde ook, vertelt ze, dat banden van een auto van een Nederlandse boer waren lekgeprikt. ,,Ze willen dat ik lid word van het bestuur van het landbouwcentrum. Daar heb ik voor bedankt. Als je dat doet, ben je het Nederlandse vrouwtje dat weer zo nodig wat te zeggen moet hebben. Laat de Denen het zelf maar doen.''

Een varkensboer is boos omdat ze een paar jaar geleden grond kochten die hij had willen hebben. Toen kostte de grond bijna dertienhonderd gulden per hectare, nu vierentwintighonderd. Anke van Peet: ,,Hij had dat stuk ook kunnen kopen, maar hij wou niet. Zijn vrouw had gezegd: `Het is afgelopen met die rotvarkens, ík ben aan de beurt.' Er moest een bubbelbad komen, een wc boven en een wc beneden, hij heeft voor zeker een ton aan dat huis verspijkerd.''

Anke en Wim van Peet leefden jarenlang heel zuinig. Het woonhuis van de boerderij verkeerde in slechte staat, het tochtte en lekte. Maar ze deden er niks aan. ,,De eerste vier jaar hebben we met de kinderen vaker in de schuur gezeten dan in kamer. Als het stormde was het in huis niet uit te houden.'' Ze hebben het een beetje opgeknapt, maar veel geld hebben ze er niet aan uitgegeven. Het lekt nog steeds. Ze hebben nu wel zeventig koeien méér dan in het begin, en meer dan twee keer zoveel grond.

Koffiemelk

Geke (46) en Berend (47) Ziengs uit Drenthe hoorden bij de eerste Nederlanders die naar Denemarken emigreerden. Ze kwamen in de zomer van 1987. Berend had een maatschap met zijn broer, maar die werd te klein voor twee gezinnen. In Denemarken begonnen ze met negenentwintig melkkoeien en vijfendertig hectare land. Nu hebben ze zeventig koeien en vijfentachtig hectare. Berend Ziengs geldt, onder Nederlanders in Denemarken, als een niet erg ambitieuze boer. Om halfzeven stopt hij met werken, op zondag neemt hij vaak vrij, en hij is lid van een voetbalvereniging. ,,Dan ontmoet ik ook mensen die géén boer zijn.''

Geke Ziengs was lid van het schoolbestuur, ze heeft op dansles gezeten, op yoga, gymnastiek en badminton. Ze houdt van hygge, zegt ze, de Deense gezelligheid. ,,Ze zijn heel saamhorig'' zegt ze. Ze heeft zich al opgegeven voor het kerstdiner in het hotel van het dorp. ,,Anders zit het vol.'' Sinterklaas vieren ze niet. ,,We zijn ver-Deenst.''

Op de keukentafel staat nog wel Friesche Vlag Halvamel. Geke en Berend houden niet van Deense koffiemelk, en Friesche Vlag is langer houdbaar. Als ze in Nederland zijn, kopen ze ook hagelslag en vla. Sinds een jaar of zes hebben ze satelliettelevisie, ze kijken 's avonds naar Nederlandse zenders. Afgelopen zomer hebben ze met vijf Nederlandse stellen naar de EK-wedstrijd Nederland-Denemarken gekeken. Met oranje T-shirts aan, Berend droeg oranje klompen.

Berend kan er nog steeds niet aan wennen dat hij zelf geen antibiotica aan zijn koeien mag geven. Dat moet de veearts doen. ,,Ik bel die man dan op en zeg dat een koe melkziekte heeft, of uierontsteking, of een lebmaagverdraaiing. Ik hoor dat hij denkt: `Laat ik dat eerst maar eens zelf bekijken.' Maar ik wéét het gewoon. De Deense boeren lopen heel erg achter de veearts en het landbouwcentrum aan. Bij het minste probleem bellen ze al met de voorlichter.''

De Denen, vindt Geke Ziengs, ,,zijn erg nationalistisch''. ,,Ze houden veel van hun vlag, ze vlaggen bij iedere gelegenheid.'' Ruim tien jaar geleden kochten Geke en Berend ook een Deense vlag en een wimpel. Toen ze twaalfenhalf jaar getrouwd waren, hing Geke de vlag en de wimpel uit. ,,De buren hebben vreselijk gelachen. De vlag én de wimpel, dat doe je niet in Denemarken.''