`Het was niet de tijd van de arbeiders'

Altijd maar die arbeidersbeweging, de arp en de decadentie in de kunst. Romanist Van Buuren en historicus Jan Bank besloten om hun Nederlandse cultuurgeschiedenis van de periode rond 1900 heel anders aan te pakken. Van Wilhelmina tot Concertgebouworkest.

Rond het jaar 1900 lieten veel kwekelingen (onderwijzers-in-opleiding) hun haar lang groeien. En ze droegen een zwierig los geknoopte zwarte das op een slappe boord: zichtbare tekenen van hun breuk met het `sleurbestaan'. Vrouwelijke kwekelingen hadden een hardnekkige voorkeur voor vierkant uitgesneden jurken van fluwelige stoffen. Ze streefden naar eenvoud en schoonheid en streden tegen `maatschappelijke uitwassen'. Zoals tegen drankgebruik (en nog veel meer) in de Kweekelingen Geheelonthoudersbond (1906), waarvan de oprichters in een manifest schreven: `Wij willen de lach brengen over veel droeve dingen, we willen levenslust, energie doen opwassen in kleine verdoolde zielen'.

Aldus zomaar een veelzeggende observatie uit het pas verschenen boek 1900 Hoogtij van burgerlijke cultuur (Sdu Uitgevers, ƒƒ95,-) van de historicus Jan Bank en de romanist Maarten van Buuren. In het jeugdige idealisme van de kwekelingen vielen twee ontwikkelingen samen, schrijven ze in het hoofdstuk De dageraad van de volksopvoeding: het ontstaan van een zelfstandige jeugdbeweging en een opwaardering van het onderwijzersambt. Het aantal goed opgeleide onderwijzers nam snel toe aan het einde van de negentiende eeuw. Een zichtbare professionele groep met veel maatschappelijke invloed ontstond. De hartstocht lag in het overbrengen van de kennis. In hetzelfde hoofdstuk wordt het ontstaan van het Lyceum (uitstel van keuze!) en de MMS (middelbare meisjesschool) behandeld, het succes van de HBS (hogere burgerschool), het effect van de leerplicht (1901) op vooral meisjes en de oudere leerlingen (negen tot twaalf), de vooruitstrevende ideeën van de Haagse onderwijzer ! Jan Ligthart, maar ook de opkomst van sport, gymnastiek, fietsen.

``Het boek biedt een panorama'', zegt de Leidse hoogleraar Jan Bank tijdens een gesprek in de Utrechtse hoogleraarskamer van collega-auteur Maarten van Buuren. ``We tonen elementen van het patroon dat we willen beschrijven.'' En dus verschijnen in evenzoveel hoofdstukken (waarbij de chronologische grenzen ongeveer bij 1880 en 1920 liggen) de inhuldiging van koningin Wilhelmina (met alle feestelijkheden vandien), het nationalisme, de stadsuitbreidingen, de `gemeenschapskunst', het symbolisme in de schilderkunst, de bloei van de natuurwetenschappen, de psychologie en metafysica van de Groningse pionier prof. Gerard Heymans, het neocalvinisme en de kerkenbouw, de nieuwe ordening in het katholicisme, de utopistische koloniën in het Gooi, de anti-decadentie in de poëzie, de vrouwenemancipatie èn de stadscultuur (van Concertgebouw tot drukwerkexplosie).

Van Buuren: ``Het opvallendst is de hoge mate van idealisme in alle lagen van de bevolking. De betere maatschappij was echt bezig om eraan te komen. De utopisten waren in de sociale beweging in de meerderheid. Iemand als Frederik van Eeden geloofde echt dat alle mogelijkheden open lagen voor een nieuwe maatschappij, een nieuwe gemeenschap. En dat zou niet met allerlei kleine hervormingen komen, maar in één stoot, in één klap. Wij zijn nu veel cynischer, dat soort dingen lees je nu half grinnikend.''``Het grote probleem met contemporaine geschiedenis is de overvloed van gegevens'', zegt Jan Bank. Toch is het tweede deel in de serie Nederlandse cultuur in Europese context (1800 en 1950 verschijnen binnenkort) niet dikker dan het eerder dit jaar verschenen 1650 Bevochten eendracht van de historicus Willem Frijhoff en de neerlandica Marijke Spies (624 tegen 704 blz.). De serie, die nog wordt afgesloten met een `terugblik' (Rekenschap) is het belangri! jkste resultaat van een tienjarig NWO-project dat in 1991 werd begonnen als een geesteswetenschappelijke reactie op het wegvallen van de Europese binnengrenzen in 1992. Totale kosten: tien miljoen gulden.

Onder bijval van Van Buuren zegt Bank: ``Het is jammer dat deze vruchtbare samenwerking tussen de verschillende letterendisciplines nu weer voorbij is. Voor de geschiedenis van de twintigste eeuw is dat echt iets bijzonders. In de contemporaine geschiedschrijving is cultuur een ondergeschoven kindje. Het doorbreken van de hardnekkige specialismen slaagt wel bij de vroegmoderne tijd.'' Er zijn wel vaker samenwerkingsprojecten geweest met letterkundigen, kunsthistorici of musicologen, maar die eindigen dan altijd in een conferentie of een bundel. ``Nooit in een gezamenlijke publicatie, zoals nu bij ons'', zegt Bank, ``en dat maakt een groot verschil. Dit is veel minder vrijblijvend.''

Bij lezing van `1900' komt wel een klassiek geschiedwetenschappelijke vraag op: wat betekent het allemaal? Er worden veel feiten genoemd, maar u geeft relatief weinig expliciete duiding.

Bank: ``Dat is het probleem van het schrijven van een grote historische synthese. Je kunt inderdaad ook op een tamelijk abstract niveau gaan zitten, met veel nadruk op analyse. Personen en voorvallen komen dan een beetje in de schaduw. In andere delen van de reeks Nederlandse cultuur zal ook zo'n hoge positie worden ingenomen, denk ik. Wij hebben er voor gekozen iets lager te gaan zitten, met meer aandacht voor het verklarende voorval dat interessant is om een bepaalde visie uit dragen. Normaal begin je zo'n synthese met de demografie en economie. Nou, wij dus niet. Wij beginnen met een feest, de inhuldiging van Wilhelmina. Want het is cultuurgeschiedenis.''

Van Buuren: ``Voor het bepalen van een visie hebben wij ons mede georiënteerd op de andere, aangrenzende delen. In 1800 is er in Nederland een grote kaalslag en armoede. Dat jaartal is in feite een kuil. In 1950 staat alles in het teken van de wederopbouw na de oorlog. Wij gaan daartussenin zitten, met het hoogtij van de burgerlijke cultuur. De cultuur van 1900 heeft heel sterk het imago van een periode waarin het burgerlijke zelfbewustzijn wordt aangetast door de sociale bewegingen en waarin decadentie heerst in de kunst. Dat beeld is sterk bepaald door Jan Romein in zijn boek Op het breukvlak van twee eeuwen (1967). Daar zetten wij ons sterk tegen af. Het gaat juist heel goed met Nederland, er is geen sprake van een gespleten burgerij of een neergang in de cultuur. Dat laten we zien.''

Maar waar zijn dan die sociale bewegingen in uw boek? De ellende van de fabrieksarbeiders, de plaggenhutten in Drenthe?

Bank: ``Die komen wel hier en daar voor in de tekst. Maar erg expliciet is het allemaal niet. Dus inderdaad, daar kiezen we niet voor.''

Maar die toestanden vormen toch even goed een onderdeel van de Nederlandse cultuur in 1900?

Bank: ``Vooraf is in het project een afspraak gemaakt over de onderwerpen van deze cultuurgeschiedenis. En die komen dus allemaal aan bod: literatuur, kunst, onderwijs, religie, filosofie en wetenschap. Maar ik wil nog wel verder gaan. We zijn een beetje dwarsig geweest tegenover dat vaste beeld van sociale ellende. Er is nog zoveel méér te belichten, zeker in cultuurhistorisch perspectief. De sociale aspecten vind je wel in de Algemene Geschiedenis van Nederland. Wij hebben bewust gekozen voor een overbelichting van het culturele aspect, en ja, dan heb je dus een onderbelichting van het sociale aspect. Neem de diamantbewerkers, die befaamde pioniers van de vakbeweging. In ons boek wordt juist de culturele kant van hun vakbond belicht: de zangcultuur, de socialistische liederen èn hun liefde voor opera en operette. Er was ook sprake van een beschavingsoffensief.''

Moeten we het boek dan ook beschouwen als een polemiek tegen de geschiedschrijving die in de jaren zeventig en tachtig ontstond: met veel nadruk op sociaal-economische omstandigheden, mentaliteit en het gewone volk?

Bank: ``Ja, zeker. We hebben bewust afstand genomen van het idee dat de sociale geschiedenis, die ellende in de fabrieken en plaggenhutten, de dragende kracht is van deze periode. Het is een bewust gekozen belichting, die een andere geschiedschrijving natuurlijk niet uitsluit. Maar het valt me echt op dat bij interviews over dit boek, laatst weer bij het VPRO-radioprogramma OVT, iedere keer wordt gevraagd: `waar zijn de arbeiders, het is toch de tijd van de arbeiders!?' Ik zou het willen omdraaien. Bepaalde vormen van burgerlijke cultuur zijn hier voor het eerst samengebracht en normaal beschreven. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen behoorlijke muziekgeschiedenis van Nederland. Dat is misschien ook geen prioriteit, maar toch: mag het ook eens een keer! Het lijkt wel alsof het politiek incorrect is. In het hoofdstuk over stadscultuur gaat het over theater, muziek, de opera. En die opera was beslist niet alleen Wagner. Juist de Italiaanse opera was beslist niet elitair.''

Van Buuren: ``De cultuur werpt ook een ander licht op de sociale bewegingen. Aan het gebouw van de diamantbewerkersbond werkten Berlage en Richard Roland Holst, die sterk betrokken waren bij de idealen van gemeenschapskunst. En die rare wereldvreemde ideeën van de Domela Nieuwenhuis en Frederik van Eeden, met hun utopieën, mogen vaak als randverschijnselen zijn gezien, het waren toen voor velen de bron en de drijvende kracht van waaruit de sociale bewegingen opereerden.''

Moet ik in dit verband uw grote aandacht voor kerkarchitectuur dan als een soort provocatie beschouwen?

Bank: ``Nee, nee. Dat was iets anders. We hebben er voor gekozen godsdienst in haar eigen culturele waarde te laten. Door de grote aandacht voor verzuiling is godsdienst in de negentiende eeuw tot nu toe altijd behandeld in het kader van vakbonden en verenigingsleven. Wel, dat doe ik nu eens niet. Het komt er wel in, maar bij Kuyper ligt de nadruk op zijn activiteiten in de kerk, niet op zijn politiek en de ARP. Van de godsdienst behandelen wij de theologie, de cultus, de liturgie – bij de katholieken meer dan bij de protestanten natuurlijk – en vooral ook het kerkelijk personeel: de dominees, de priesters, de nonnen en de diaconessen. Dat is een tamelijk nieuwe benadering. We beginnen niet met Kuyper de Geweldige, maar met de nieuwe theologie. Want daar gebeurt het, de moderne theologie en de toenemende vrijzinnigheid. Die secularisatie van de negentiende eeuw is ook altijd onderbelicht geweest. Is het verboden daar nu wel aandacht aan te schenken?''

Natuurlijk niet, maar in het begin van uw boek zegt u uit te gaan van de cultuuromschrijving die Frijhoff geeft in het deel 1650. Daarin ligt de nadruk op de mechanismen waarmee een cultuur zichzelf in stand houdt, op `de verhalen die een cultuur over zichzelf vertelt'. Zoiets zet de lezer op het verkeerde been. Dan verwacht je toch meer brede culturele processen en verbanden, meer mentaliteitsgeschiedenis.

Bank: ``Tja, dat hebben wij inderdaad minder, dat kan. Het is ook een probleem van de omvang. In de contemporaine geschiedenis is dat veel sterker. Romein heeft het in zijn Breukvlak ook niet kunnen oplossen. En in ons andere voorbeeld, Carl Schorske's Fin-de-siècle Vienna (1981), heeft de auteur een héél specifieke invalshoek gekozen, waardoor hij veel kon weglaten.''

Maar waarom dan niet uw eigen centrale idee meer benadrukt? In een vlammend betoog vooraf?

Bank: ``Hadden we misschien beter kunnen doen, ja, als ik alle verwijtende reacties bekijk. Ik ben daarom wel blij met het tijdsbeeld in de roman Publieke Werken (1999) van Thomas Rosenboom, die in dezelfde tijd speelt. Daarin vinden we heel veel terug van onze opvattingen. Hij begint wel bij de plaggenhutten in Drenthe, maar de hoofdfiguren zijn toch veel typerender voor de tijd: de geleerde maar nog niet academische gevormde apotheker, de vioolbouwer die midden in de muziekcultuur staat maar ook allerlei opvattingen over stadsplanning heeft.''

En toch vraag ik: hoe keek het gewone volk nou tegen die burgerlijke cultuur aan?

Bank: ``Gedeeltelijk werden ze er in mee gezogen. De arbeiders in de Jordaan namen het initiatief voor de schenking van de Gouden Koets. En het neocalvinisme van de gereformeerden wordt snel een zaak van de befaamde `kleine luyden'. En als gezegd: de diamantbewerkers waren dol op opera. In dat perspectief komen die arbeiders echt vaak in ons boek voor hoor!''

U heeft dus echt burgerlijke geschiedschrijving bedreven, in alle betekenissen van het woord.

Bank: ``Ja. Nou en?''

Van Buuren: ``We willen helemaal niet polemiseren met sociaal-economische geschiedschijving of de arbeidersbeweging. Maar als je kijkt naar de cultuur van 1900, dan zeg je: ja, die burgerlijkheid was het hoofdkenmerk.''