Brutale weduwe

`Ons werk is ook onze hobby', schrijft ganzenonderzoeker Bart Ebbinge in De onvrije natuur, een mooi uitgevoerd boek met 35 artikelen van 45 biologen over hun dierecologisch veldonderzoek. Op nawoordschrijver Koos van Zomeren na zijn alle auteurs verbonden (geweest) aan de Rijksuniversiteit Groningen en geïnspireerd door hoogleraar dierecologie Rudi Drent, aan wie het boek is opgedragen. ``Drent staat pal voor de overtuiging dat experimenteel en langlopend veldonderzoek de basis moet zijn voor veel takken van de biologie'', zo meldt de inleiding.

Het enthousiasme voor veldonderzoek druipt van de bladzijden. ``Met Rudi en veel collega-biologen heb ik altijd genoten van het buiten-zijn'', schrijft Ebbinge. Of dat buiten-zijn voldoende is om dagenlang vanuit een te klein observatiehutje op het winderige wad naar brandgans of scholekster te turen? Dik Heg vindt: ``Was ik maar nooit zo intensief de natuur gaan bestuderen. Na een paar jaar (...) is je kijk op de natuur fundamenteel veranderd. (...) Dingen die je voorheen zag maar niet kon verklaren worden plotsklaps begrijpelijk.''

Heg bestudeerde scholeksters op Schiermonnikoog en ontdekte dat een paartje van die vogels soms een trio vormen met een tweede vrouwtje. Gedrieën broeden ze een nest uit en bevestigen hun driehoeksrelatie door er en plein publique op los te paren. Vreemd, want een scholeksterpaar brengt meer kuikens groot dan een trio. Triovorming lijkt dus een verkeerde beslissing uit evolutionair oogpunt, maar het tweede vrouwtje blijkt er wel voordeel uit te halen. Dat is vaak een weduwe die met haar man haar territorium heeft verloren en niet langer kan broeden tot ze een nieuwe man vindt. Zij probeert een buurman te verleiden en diens vrouw te verjagen. De buurvrouw en -man jagen haar weg, maar soms accepteren ze een volhardende indringster. Anders zouden ze zoveel tijd en energie aan vechtpartijen kwijtraken, dat ze aan broeden nauwelijks toekomen.

Volgens Heg geeft de veelwijverij van scholeksters inzicht in de evolutie van samenwerking. ``Coöperatieve trio's zijn eigenlijk een voorbeeld van primitieve groepsvorming'', schrijft hij. (...) Of scholeksters in de toekomst ooit zullen leren om meer succes te halen uit deze groepsvorming, zullen toekomstige gedragsbiologen moeten bepalen. En zo roept iedere ontdekking nieuwe vragen op. Neem nou ganzen. De snelle toename in West-Europa van verschillende soorten ganzen sinds de jaren '70 wordt mede toegeschreven aan de intensieve landbouw. Inderdaad begrazen 's winters duizenden ganzen de Nederlandse weilanden. ``Het sappige cultuurgras lijkt perfect aan te sluiten bij de voedselbehoeftes van de ganzen'', schrijft Jouke Prop. ``Boeren doen er alles aan hun gras zo hard mogelijk te laten groeien en de voedzaamheid ervan te verhogen. Ganzen moeten opvetten om in de lente de duizenden kilometers naar hun arctische broedgebieden te kunnen overbruggen en daar eieren te legg! en.''

Prop vergeleek ganzen van boerenland met ganzen uit (natuurlijke) kwelders en de weideganzen. Weideganzen sloegen veel meer vet op dan kwelderganzen. Bij ganzen die in kwelders overwinteren, bleken de grootste vetzakken de meeste nakomelingen voort te brengen. De ganzenonderzoeker verwachtte dat de relatief vette weideganzen nog meer nageslacht zouden produceren, maar dat was niet zo. Weidegrazers, ontdekte hij, kregen minder nakomelingen dan kweldergrazers met evenveel vet. ``De vetste vogels uit het agrarische gebied profiteerden om de een of andere reden minder van hun opgeslagen vet'', aldus Prop. Hij analyseerde de samenstelling van het voedsel en van de keutels en maakte een eiwitbalans op. ``Verrassende uitkomst (...) was dat vogels van de kwelder meer eiwitten hadden opgeslagen dan hun agrarische soortgenoten'', schrijft hij. Eiwitten leveren spierkracht. Prop vermoedt dat de zware agrarische ganzen onvoldoende kracht bezitten om hun vetreserves mee te dragen. Maar ! waarom slaan ganzen in weilanden minder eiwitten op? De weidegrassen bevatten genoeg eiwitten, dus daar ligt het niet aan. Waarschijnlijk sluit de samenstelling van aminozuren (bouwstenen van eiwitten) in het gras niet aan bij de behoefte van ganzen. Ze zouden veel kunnen gaan eten zodat ze toch genoeg van de schaarse aminozuren binnenkrijgen. Andere vogels passen die truc wel toe, maar ganzen niet. Aan het eind van de winter vertraagt hun spijsvertering. Ganzen kweken dan namelijk een bacteriecultuur in hun darmen, die in staat is de zwaarverteerbare mossen in het broedgebied af te breken. Dus juist als het broedseizoen nadert, kunnen ganzen niet veel achter elkaar eten.

En zo staat elk hoofdstuk vol verrassende ontdekkingen. Van Seychellenzangers die het geslacht van hun kuikens kunnen manipuleren tot schermacacia's die op de Afrikaanse savanne groeien dankzij de achttiende-eeuwse runderpestepidemie. Van broedermoord onder visarenden tot democratisch vergaderende vrouwengroepen bij Afrikaanse buffels. Als de opzet van het boek is dat je als lezer denkt: `mooi vak, die veldbiologie', dan is het daarin geslaagd.

De onvrije natuur; J. Tinbergen, J. Bakker, Th. Piersma, J. v.d. Broek [red.]. 240 blz, geïllustreerd. KNNV Uitgeverij, Utrecht 2000. Prijs ƒ57,50. ISBN 9050111343.