Aap op twee benen

Recent ontdekte fossielen laten zien dat een aap op Lesbos op twee benen liep. Voor wie vasthoudt aan het menselijk alleenrecht op rechtoplopen een schokkende ontdekking.

Ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden ontstond de mens. Vermoedelijk in Afrika ontwikkelde zich het geslacht Homo uit de zich reeds op twee benen voortbewegende Australopithecus. Deze tweebenige wijze van voortbewegen, dit rechtoplopen, werd en wordt altijd beschouwd als een unieke eigenschap van de vroege hominiden. Door het rechtoplopen kwamen de handen vrij voor manipulatie van werktuigen, voedsel en wapens, en werd de voorwaarde geschapen voor de sterke ontwikkeling van de hersenen. Het uiteindelijke resultaat: de moderne mens, Homo sapiens.

Door de recente ontdekking van fossielen van een aap op Lesbos (nu een Grieks eiland maar ooit onderdeel van Klein-Azië) wordt de uniekheid van deze Afrikaanse tweebenigheid nu in twijfel getrokken. Alles lijkt erop te wijzen dat deze aap, getooid met de fraaie wetenschappelijke naam Paradolichopithecus, ook op twee benen liep. Voor wie vasthoudt aan het menselijke alleenrecht op rechtoplopen is dat een schokkende ontdekking. Dr. Paul Y. Sondaar, verbonden aan het Natuurmuseum Rotterdam en visiting professor aan de Universiteit van Athene, gooide met enkele collega's onlangs de knuppel in het hoenderhok tijdens een conferentie die ter plekke werd gehouden: op Lesbos, in de onmiddellijke nabijheid van de vindplaats.

De aap van Lesbos is ook op andere plaatsen gevonden, onder andere in Roemenië en in de Franse vindplaats Senèze. De Amerikaanse antropoloog Eric Delson denkt dat Paradolichopithecus ook in China is gevonden, waarmee dit dier dus een groot verspreidingsgebied had. Het was een terrestrische aap, op de grond levend, en in een savanne-achtige omgeving. Wat dat betreft leek hij sterk op de huidige bavianen van het geslacht Papio. Tot nu toe is al het Paradolichopithecus-materiaal maar zeer summier beschreven. Vooral van het Roemeense materiaal is eigenlijk nauwelijks iets bekend. Dat is jammer, zeker omdat de Roemeense vindplaatsen en Lesbos niet verder dan 600 km uit elkaar liggen.

museumlade

Wanneer fossiele apen worden beschreven, gebeurt dat vrijwel altijd aan de hand van de schedel en het gebit. Aan de rest van het skelet, het postcraniale gedeelte, wordt vaak nauwelijks aandacht geschonken; men bergt het op in een museumlade en dat is dan dat. Ook dat is jammer, omdat sommige onderdelen van het postcraniale skelet veel aanwijzingen kunnen geven over de manier van voortbewegen, en dus over de leefwijze van de dieren. Toen Sondaar in Lyon het Franse Paradolichopithecus-materiaal bestudeerde om het te vergelijken met de vondsten van Lesbos, ontdekte hij tot zijn verbazing dat het achterhoofdsgat helemaal aan de onderkant van de schedel zat. Hoewel niet doorslaggevend, is dat een mogelijke aanwijzing voor rechtoplopen en voor Sondaar zag er aanleiding in om ook het postcraniale skelet te willen zien. En op Lesbos is daar nogal wat van gevonden. Een van de belangrijkste aanwijzingen voor rechtoplopen wordt aangetroffen in de astragalus, een bot uit het enkelgewr! icht.

Sondaar vergeleek de astragalus van de Lesbosaap onder andere met de astragali van bavianen en van de bekende Lucy, een Australopithecus-soort uit het Oost-Afrikaanse rift-gebied. Uit de vorm van het gewricht dat de astragalus verbindt met het scheenbeen bleken twee dingen. In de eerste plaats dat de astragalus van de aap van Lesbos en die van de rechtoplopende Lucy een even grote hoek kunnen draaien met het scheenbeen: ongeveer 40-50 graden; hoewel moeilijk meetbaar is deze hoek bij bavianen en ook bij de mandril en de chimpansee veel groter. Bij rechtoplopende apen (Lucy en Paradolichopithecus en ook bij de mens) staat het scheenbeen verticaal; bij normaliter niet rechtoplopende apen staat het scheenbeen naar voren neigend, ook als de dieren zich even op twee benen voortbewegen. Voor dit laatste is een grotere draaiingshoek noodzakelijk.

voeten

In de tweede plaats bleek uit de richting van de gewrichtsrichels van de astragalus dat de voeten van Paradolichopithecus net als die van Lucy en de moderne mens evenwijdig aan elkaar staan, terwijl bij andere apen de voeten in ruststand een V-vorm maken, met de enkels bij elkaar en de tenen naar buiten. Door de parallelle constructie kunnen rechtoplopende soorten zich beter afzetten tijdens het gaan.

Hoe moeten we deze ontdekkingen interpreteren? Het rechtoplopen of bipedalisme speelde een uiterst belangrijke rol in de evolutie van de mens. Vanaf het moment dat de eerste hominiden zich op twee benen gingen voortbewegen ging die evolutie in een relatief snel tempo. Er zijn verschillende theorieën over het waarom van dat rechtoplopen. Volgens Sondaar en zijn collega's is er een ecologische oorzaak voor: het rechtoplopen is een aanpassing aan gewijzigde milieuomstandigheden. Doordat als gevolg van het veranderende klimaat het areaal aan bos afnam en er grote en relatief kale vlaktes ontstonden, moesten de apen grotere afstanden kunnen afleggen. Op twee benen gaat dat bij apen effectiever en het kost minder energie dan op handen en voeten. Bij Paradolichopithecus speelde hetzelfde. Deze aap leefde zo'n 2,5 miljoen jaar geleden, dus tegelijkertijd met verschillende Afrikaanse Australopithecus-soorten en de eerste vertegenwoordigers van het geslacht Homo. Ook Paradolicho! pithecus leefde in een savanne-achtige omgeving. Daarvan getuigen de andere soorten fossielen die men op Lesbos heeft gevonden, waaronder gazelles, paarden en een hert. Toch is de ontwikkeling van een savannelandschap alleen niet voldoende reden om een grote actieradius te ontwikkelen. Bavianen hebben een beperkte actieradius: zo'n 5-6 kilometer; bavianen hebben in de evolutie dus ook niet de ontwikkeling naar rechtoplopen doorgemaakt.

Waarom de aap van Lesbos dat wel deed houdt vermoedelijk verband met het klimaat. Bavianan leven in een constant tropisch klimaat, maar de noordelijker levende Paradolichopithecus had te maken met seizoenswisselingen. Er zijn inmiddels aanwijzingen gevonden dat in elk geval het oostelijk Middellandse-Zeegebied gekenmerkt werd door de aanwezigheid van een kurkdroog zomerseizoen, een neveneffect van de Aziatische zomermoesson. Het zal nodig zijn geweest om over flinke afstanden te migreren, om zo in een vochtige en voedselrijker omgeving te blijven. Die noodzaak tot trekken kan dan de directe aanleiding geweest zijn tot de ontwikkeling van het rechtoplopen.

Daarmee heeft de lijn Australopithecus-Homo het alleenrecht op rechtoplopen verloren. Voor sommige antropologen is dat een beetje een bittere pil: er blijkt uit dat de mens weer iets minder uniek is dan tot nu toe werd aangenomen. In die zin vormen de recente ontdekkingen op Lesbos een uitdaging: niet alleen voor Australopithecus, maar ook voor veel antropologen.