Wagner voor de woonkamer

Er is nauwelijks een componist wiens leven in dagboeken en briefwisselingen zo nauwkeurig is gedocumenteerd en die toch nieuwe nakomende generaties voor zoveel raadsels stelt als Richard Strauss (1864-1949). En er is nauwelijks een componist die zo beroemd is en wiens oeuvre – afgezien van enkele opera's zoals Salome, Elektra en Der Rosenkavalier, een paar orkestwerken en liederen - tegenwoordig zo onbekend is als dat van deze man die zichzelf als een `Griekse Germaan' afficheerde. Ter gelegenheid van het Strauss-jaar is vorig jaar een aantal boeken verschenen. Terwijl de meeste voortborduren op de mythe, weerspiegelt het historisch-psychologische portret van de Oostenrijkse publiciste en musicologe Maria Publig een zeker onbehagen: vanwege een muziek die Schönberg als `zangthema-achtige banaliteit' omschreef, en vanwege een mens en kunstenaar die Thomas Mann een `naïeve spruit van het keizerrijk' noemde en die in het Derde Rijk een twijfelachtige rol zou s! pelen.

Wie was Richard Strauss? `Wat ik ben, wie ik ben, kunnen jullie weten door mijn werken', aldus de componist. Zo weten we door Ein Heldenleben dat de componist zich als held beschouwde. Ook leren wij hem door Sinfonia Domestica kennen als zorgelijke huisvader en mogen wij hem in Eine Alpensymphonie op een bergtocht begeleiden. Strauss, die zelfs echtelijke ruzies (Intermezzo) en geschillen met critici en uitgevers (Krämerspiegel) heeft verklankt, maakte van zijn privéleven geen geheim. De componist die door velen wordt geprezen als `klanktovenaar', meester van orkestrale klankeffecten en muzikale retoricus die `zelfs een glas bier' (aldus de componist) in muziek kon omzetten, wordt door anderen verguisd als de meester van het muzikale cliché en troubadour van een wereld zonder problemen. Reeds tijdgenoten als Schönberg of Romain Rolland vielen over de onnozele onderwerpen, triviale thema's en melodramatische poses van deze Wagner van de burgerlijke D! uitse huiskamer. Het lijkt achteraf verbazingwekkend dat de componist van de Rosenkavalier ook de schepper was van hoogdramatische operatragedies, namelijk Salome en Elektra, – baanbrekende werken, waarin de onrust van een nieuwe tijd wordt weerspiegeld. Strauss: gevierd, omstreden, raadselachtig. Een componist met twee gezichten. Revolutionair en burgerman.

Mythe

Het Strauss-jaar 1999 is bijna ongemerkt voorbijgegaan. De in dat jaar verschenen literatuur heeft nauwelijks iets nieuws gebracht en de kwestie van Strauss' rol in de nazitijd lijkt op de achtergrond geraakt. Dit tot geruststelling van de erfgenamen in het Beierse Garmisch-Partenkirchen, waar de villa van de componist staat, zetel van de Richard-Strauss-Gesellschaft en het Richard-Strauss-Archiv. Het Strauss-onderzoek dat na de oorlog van start ging met de benoeming van ex-nazi en Strauss-vriend Julius Kopsch als hoofd van de Richard-Strauss-Gesellschaft, stond tot op heden in het teken van rehabilitatie en toegevendheid ten opzichte van een groot kunstenaar die tegen het kwaad niet was opgewassen. In Garmisch lijkt de tijd te hebben stilgestaan. De nakomelingen hebben de mythe van de `laatste romanticus' min of meer succesvol in stand weten te houden. Maria Publig vindt dat het laatste woord hierover nog niet is gesproken. Zij onderzoekt het familiale en politieke milieu ! van de componist, zet zijn wereldbeschouwing uiteen en beroept zich op nieuwe documenten uit de nazitijd. Zij schetst het beeld van een gepriviligeerd kunstenaar en bourgeois – nakomeling van de bierbrouwersdynastie Pschorr te München en zoon van de bekende hoornist Franz Strauss – die van een allesbeheersende cultuurelite droomde en in de tijd van de nieuwe machthebbers in zijn eigen ideeën verstrikt raakte.

In 1933 aanvaardde Strauss op 70-jarige leeftijd het ambt van president van de `Reichsmusikkammer'. De documenten die Publig heeft samengebracht, maken aannemelijk dat dit niet als faux pas van een wereldvreemde kunstenaar kan worden beschouwd, maar gevolg is van een geestelijk-politieke houding die geworteld is in de monarchistische idealen van zijn gegoede ouderlijke omgeving. Toen de componist het omineuze ambt opnam, kon hij op een glansrijke carrière terugblikken. Als vertegenwoordiger van een Duitse kunst in de geest van Bayreuth verheugde hij zich in een internationale faam en twijfelde er geen ogenblik aan dat hij de meest waardige kandidaat was voor dit hoge ambt. Vroeg beroemd en allerwegen geprotegeerd bewoonde hij in die tijd twee villa's: één in Garmisch en één in Wenen. De luxueuze Weense villa, het zogeheten `Strauss-Schlössl' dat de stad in 1922 voor haar nieuwe operadirecteur had laten bouwen en dat haar schatten kost! te, wekte in de door werkeloosheid geteisterde Oostenrijkse metropool enige verontwaardiging. Ook Strauss' Weense debuut, het ballet Schlagobers, stuitte bij bevolking en pers op felle kritiek. Dit eveneens miljarden kostende project waarin een volksoproer van marsepeinmannetjes en peperkoeken in bokbier wordt gedempt (het werk valt tegenwoordig onder de categorie `onverkoopbare artikelen'), leek een bespotting van de noodlijdende Weense bevolking. De kritiek maakte weinig indruk op een componist die het algemene kiesrecht wilde afschaffen ten gunste van een culturele elite. Hij componeerde feestmuziekjes en marsen en liet zich met ordes decoreren. Het wereldbeeld van deze gevierde kunstenaar leek geen noemenswaardige conflicten of tegenstrijdigheden te vertonen. Totdat de nazi's de tegenstrijdigheden ervan zouden onthullen. Onbarmhartig en cynisch.

Nadat Strauss zich als vervanger van de joodse dirigent Bruno Walter en de verontwaardigde Arturo Toscanini de sympathie van de nazi's had verworven en in november 1933 het ambt van president van de `Reichsmusikkammer' had aanvaard, schreef Klaus Mann aan zijn vader Thomas: `Schaamte en tact zitten er bij hem niet in. Een zo getalenteerd kunstenaar en dan toch zo gevoelloos zijn als het gaat om gewetenskwesties. Een groot man, maar geheel zonder grootsheid. Ik kan niet anders dan dit fenomeen beangstigend en ook een beetje onsmakelijk vinden.' Het prestigieuze ambt beloofde meer dan het gaf. Zo bleek, dat niet hij, Richard Strauss, moest uitmaken wat kunst was, maar cultuur- en propagandaminister Goebbels. Hoewel Strauss' ideeën over de dictatuur van een cultuurelite en het primaat van de Duitse kunst zekere raakvlakken met de nazi-ideologie vertoonden – ook hij was, net als de cultuurminister, een tegenstander van jazz en atonale muziek –, raakte hij meerm! alen bij Goebbels uit de gratie. Omdat een jood als Stefan Zweig volgens de minister geen kunstenaar kon zijn, moest Strauss van zijn librettist afzien en raakte hij door zijn aanhoudend contact met Zweig in 1935 zijn ambt kwijt. Het feit, dat de nazi's een tijdlang de muziek van Franz Lehár prefereerden, deed hem de artistieke bekrompenheid en willekeur van de machthebbers onder ogen zien. Goebbels in een gesprek met Strauss: `U durft het, Lehár een straatmuzikant te noemen? U hebt geen idee ervan wie u bent en wie ik ben! Ik kan deze onbeschoftheid in de wereldpers bekend maken. Lehár heeft de massa's. U niet! De kunst van morgen is een andere dan die van gisteren. U, meneer Strauss, bent van gisteren!'

Zwanenzang

Ondanks zulke onaangenaamheden en represailles in verband met joodse familieleden waarin Publig met behulp van een tot nu toe ongepubliceerde ambtelijke correspondentie inzicht geeft, bleef Strauss als uithangbord van de staat de hoogste gages ontvangen, werkte hij mee aan een propagandafilm en componeerde hij werken in opdracht van het regime (Olympische Hymne, Japanische Festmusik voor de viering van 2600 Japans keizerrijk, Festmusik ter gelegenheid van het eerste jubileum van de Oostenrijkse `Anschluss'). Hij schreef onderdanige brieven aan Hitler, verjaardagskaartjes aan Goebbels en onderhield contacten met verschillende nazi's zoals de Weense `Gauleiter' Baldur von Schirach. In Metamorphosen en Vier letzte Lieder, werken uit zijn laatste levensfase, na de ineenstorting van het Reich, klinkt waarachtige rouw. Ze vormen de zwanenzang van een oude man die tot op het laatst geen inzicht kreeg. De muzikale versie van De ondergang van het avondland. De elegie van een onderge! gane cultuur, als wiens laatste vertegenwoordiger hij zich beschouwde.

Na de oorlog gaf Strauss' steun aan zijn librettist Zweig de doorslag voor zijn politieke rehabilitatie. Terecht stelt Publig in haar vlot geschreven boek de vraag: hoe zouden we de kunstenaar tegenwoordig beoordelen wanneer de Zweig-affaire niet was geweest? Of, zo zou men wellicht daaraan toe kunnen voegen, wanneer hij Salome, Elektra en Vier letzte Lieder niet had gecomponeerd? Door op de tegenstrijdigheden in Strauss' denken en handelen te wijzen, vult de auteur met haar boek een lacune. Het is alleen jammer dat soms de data en gebeurtenissen door elkaar heen duikelen en dat de muziek slechts zijdelings ter sprake komt. Ook gaat de auteur de vraag naar Strauss' artistieke betekenis uit de weg. Hoe komt het dat tweederde van het oeuvre van deze buitengewoon productieve componist tegenwoordig onbekend is? Een evaluatie van de actualiteit van Strauss' werk en een studie over de Strauss-receptie na de Tweede Wereldoorlog moet nog worden gemaakt.

Het publiek wordt in het nieuwe concertseizoen in de gelegenheid gesteld om zich over enkele, tegenwoordig zelden uitgevoerde Strauss-werken een oordeel te vormen. In september brengt het Muziektheater de opera Capriccio (1941) op de bühne, en in oktober en november presenteren het Concertgebouworkest en de Münchner Philharmoniker Sinfonia Domestica, Der Bürger als Edelmann en Till Eulenspiegels lustige Streiche.

Maria Publig: Richard Strauss, Bürger-Künstler-Rebell. Eine historische Annäherung.

Styria, 280 blz. ƒ57,30