Wachterlied en slachtersvers

In het voorbijgaan, bladerend door een oud nummer van het tijdschrift Tirade, werd ik getroffen door een gedicht. Nooit eerder gelezen:

Armzaligen

De slaapkamer was donker. Buiten floot

hoog de nachtwind; de sterrenbeelden straal- den.

Zij lagen naast elkander, nog ontbloot,

eenzaam, met open ogen, en zij haalden

adem, elk voor zichzelf. De dageraad

was niet om aan te denken, maar zij dachten

eraan, en aan elkander, en als haat

kan doden, lagen daar, die nacht der nachten,

twee, zij aan zij, in doodsgevaar.

Luid floot

de nacht. Languit, twee botgevierde dieren

lagen zij zonder leven, en de dood

zag van hen af.

Door een der gordijnkieren

keek een ster binnen naar wat – bloot naast bloot –

daar nog om van te leven overschoot.

Buiten floot hoog de nacht; geen ster verschoot.

Waar het over ging en wat er precies gebeurde wist ik nog niet, maar het had iets, iets stevigs en iets romantisch. En het had een beeldend begin, waar je je een mooie film of videoclip bij voor kon stellen. Een nacht met sterren, wind door de takken, een huis, en een camera die naar een donkere slaapkamer zwenkt, naar binnen kijkt en zijn oog laat gaan over twee naakte mensen die daar in bed liggen. Het staat er niet, maar het zouden een man en een vrouw kunnen zijn. Het staat er niet, maar ze zouden samen de liefde bedreven kunnen hebben. Er sluipt dan iets van triestigheid de tekst binnen, en het gevoel weer op zichzelf teruggeworpen te zijn. Is dit de droefenis van na het hoogtepunt, omne animal post coitum triste? En is het vooruitzicht dat er straks een einde zal komen aan hun nachtelijke samenzijn de reden dat de dageraad niet om aan te denken is, zoals in het traditionele wachterlied? Zij zouden hun ogen ervoor moeten sluiten en opgaan in het moment, maar dat doen z! e niet, of ze kunnen het niet, gevangen als ze zijn door haat. Het is de nacht der nachten, maar tegelijk ligt er een groot gevaar op de loer. Is dat het gevaar van de haat van, bijvoorbeeld, hun bedrogen echtgenoten, die onmiddellijk naar een wapen zouden grijpen als zij een blik in deze donkere slaapkamer hadden mogen werpen?

Daarmee is in ieder geval de dreigende toon voor de rest van het gedicht gezet. Bij twee botgevierde dieren kunnen we denken aan twee geliefden die ongeremd hun lusten hebben botgevierd. Maar tegelijk lagen zij zonder leven, en de dood zag van hen af: dan lijkt het er eerder op alsof zij klaargemaakt zijn voor de slacht, of voor een executie, die nog even wordt uitgesteld. Slaapkamer of martelkamer? Liefde of geweld? Ook de daaropvolgende regels houden de tegenstelling in stand. Het beeld van de stiekem naar binnen glurende ster is sterk. Het beantwoordt volledig aan de bij ons, buitenstaanders, inmiddels hoog opgelopen nieuwsgierigheid. Maar wat we te zien krijgen kan nog steeds op twee manieren worden uitgelegd. Bloot naast bloot: dat zou naar erotiek kunnen verwijzen. Maar bij wat daar nog om van te leven overschoot moet toch eerder gedacht worden aan het naderende einde. De kwestie wordt niet werkelijk opgelost. Na een witregel keert het gedicht terug naar het begin: na! ar buiten, naar het duister, naar de wind hoog in de takken en naar de sterrenhemel, waar zich zo te zien geen beslissende veranderingen hebben voltrokken. Geen ster verschoot.

Het zou misschien een teleurstellend einde moeten heten, dit einde, en daarom misschien ook wel een niet geheel geslaagd gedicht, maar mij sprak het om die wat raadselachtige inhoud juist wel aan. Het roept van alles op: een mooi mengsel van liefde en leed, wachterlied en slachtersvers, pathos en spreektaal. Het wordt op een natuurlijke toon verteld, in een op het eerste gezicht tamelijk vrije en losse vorm, maar wie gaat tellen zal zien dat het allemaal keurig en zelfs overvloedig rijmt, en dat alle regels zich netjes aan de voorgeschreven aantallen lettergrepen houden. Het gedicht valt inhoudelijk op allerlei manieren uit elkaar te halen, maar het wordt ook door enkele motieven en enkele herhalingen weer mooi bij elkaar gehouden. Het zou een geweldige liedtekst kunnen zijn, voor een zanger of zangeres die niet al te zeer aan het lijntje gehouden wil worden. Ramses Shaffy bijvoorbeeld. En misschien wil Liesbeth List dan ook nog een keer meedoen, in deze armzalige pendant v! an hun `Pastorale'.

Ik was verrast toen ik de naam van de dichter las: Adriaan Roland Holst. 1888-1976. En ik voelde me ook wel enigszins betrapt. Want ook ik had al lang geleden, in navolging van de handboeken, besloten dat Adriaan Roland Holst niet meer kon. Hij stond, volgens Kees Fens, in 1973 al aan het eind van een traditie die uit het zicht begint te raken. De dichter als ziener, gesloten wereldbeeld, mythe, abstracte begrippen en hoog spreken: het was allemaal al lang geleden gedateerd verklaard, met als tragisch hoogtepunt zijn onbegrijpelijke orakeltekst voor het Nationaal Monument op de Dam: Nimmer, van Erts tot Arend, was enig schepsel vrij onder de zon, noch de zon zelve, noch de gesternten. Maar Geest brak Wet en stelde op de geslagen bres de Mens en zo nog vele orgelende regels verder. Des te groter was mijn verrassing toen bleek dat de dichter van deze regels ook de dichter van het spreektalige, aanschouwelijke en in sommige opzichten zelfs hedendaagse portret van twee armzalig! en was.

Niet lang daarna zag ik hem op TV, in de Dode Dichters Almanak, in een opname uit 1966. Hij betrad het podium van Carré, gaf zijn wandelstok aan Simon Vinkenoog, hoestte en zei: `Ik vrees dat ik u enorm teleur moet stellen. Ik ben enorm ouderwets en bovendien ben ik hees. Maar ik zal het dan ook niet de volle zeven minuten maken.' Hij nam een bundel in de hand, plantte de hand in de zij en las een mooi, kort en eenvoudig gedicht voor. Een liefdesgedicht, zou ik denken, maar ook heel goed van toepassing op zijn lezers, van vroeger en nu: Eens zullen allen die/ tussen ons kwamen,/ zijn weggevallen – wie/ weet nog hun namen ... /Eens zal de vete zijn/ bijgelegd/ en zal vergeten zijn/ ons bitter tweegevecht./ Eens zal het weer regenen/ stil, zoals toen aan zee –/ Kom mij dan tegen en/ ga met mij mee.