Satirische programma's

In de etalage lag een boek, The Age of Satire. Niet kopen, dacht ik. Dat zal wel gaan over de zegeningen van de Sixties. Het is een verzamelboek met veel plaatjes, reproducties van authentieke documenten en een scherpzinnig essay. Maar voor ieder onderwerp, hoe groot, hoe ingewikkeld ook, komt een ogenblik waarop er niets nieuws meer over kan worden gezegd. Althans, niet voor de tijdgenoot. That Was the Week That Was, Zo is het toevallig ook nog `ns een keer, Hadie Massa, de Amerikaanse voorlopers, Lenny Bruce (National Brotherhood Week, Make Fun of the Handicapped Week), Mort Sahl, uitvinder van de sick joke, nachtclub The Hungry I, later nog Spitting Image, enz. enz. Weten we er niet alles van? Alles wat we willen weten?

De burgerij was wild van boosheid, de autoriteiten wilden verbieden. Er kwamen bemiddelaars die verklaarden dat ze van wat scherpe humor niet afkerig waren, maar waarom moest het altijd zo kwetsend zijn? Er ontstond een vraag naar milde satire. Maar wat is een slang zonder gif? Peter Vos heeft destijds in een kleine tekening de problematiek samengevat. Een middelbare man zit al voor de televisie; zijn vrouw is nog aan de afwas. De man roept: Mien, kom vlug! Er wordt weer gekwetst!

Dit alles dacht ik ongeveer terwijl ik me van de etalage met het niet-begeerde boek verwijderde. Wij hebben trouwens al zo'n soort boek, Wat niet mocht van Wim Hazeu, uitgave De Harmonie.

Toen kwamen de jaren '70 en '80. Van tijd tot tijd hielden creatieve mensen vergaderingetjes over de vraag of het niet de hoogste tijd werd voor een nieuw satirisch programma, of een tijdschrift. Men was het vlug eens: ja. Maar het kwam er nooit van. Cabaretiers en conferenciers bleven de samenleving geselen; geen autoriteit werd gespaard; soms werd het publiek of het slachtoffer boos. Maar de Sixties wilden niet terugkomen.

De jaren negentig braken aan. Eerst leek er niet veel te gebeuren dat al niet gebeurd was. Maar na een paar jaar ging het overal in de Westerse wereld steeds beter, d.w.z. de mensen gingen meer eten, telefoneren, internetten, sporten, sneller van A naar B; kortom, ze gingen meer en beter doen wat ze fijn vinden. In Nederland vestigde zich de mening dat het hier nog beter ging dan bij de rest.

Misschien is dat begonnen op 1 december 1995, op een symposium ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Stichting van de Arbeid. Daar gebruikte de heer Evert Rongen, oud-directeur DSM Limburg, voor het eerst de poldermetafoor. De stukken bewijzen het. (Zie deze column in het CS van 31.12.1999). Hij had zich laten inspireren door de historicus Simon Schama, zoals hij zelf zei. Er ging nog wat tijd overheen voor het duidelijk werd dat de nieuwe tijd om deze nieuwe metafoor vroeg. Daarna was er geen houden meer aan. Ging er iets goed tot voorbeeldig in Nederland – eigenlijk alles – dan was er altijd wel iemand die er polder voor plakte. Poldermodel, daar was alles mee gezegd – een van die woorden die nog eens uit zichzelf zullen barsten van zelfingenomenheid, pedanterie, kritiekloze opgeblazenheid. Het p.model, daar kwamen de buitenlanders van heinde en verre naar kijken. Het was een nieuw beschavingsfenomeen.

Nu komt het Sociaal en Cultureel Planbureau met een rapport. Zulke bureaus hebben ze in het buitenland niet, we worden er enorm om benijd. Het rapport meldt dat we een gemiddeld land zijn. Beetje burgerlijk misschien wel, in een andere uitvoering dan in de jaren dertig of vijftig, maar toch. Nee, er is een verschil. Denk aan de satirici. In genoemde decennia was het gevaarlijk, een hooggeplaatst iemand op de hak te nemen. In de jaren zestig is daar een eind aan gemaakt. Toen is het tijdvak van de mondige p.burger aangebroken. Ongemerkt, voetballens-, mobielens-, internettensgewijs heeft die zichzelf tot hoogste autoriteit uitgeroepen, bron van alle wijsheid. Zoals verreweg de meeste autoriteiten van toen zeer gemiddelde baasjes waren, zo zijn de gemiddelde p.burgers en hun sterren dat nu ook. Respect! De cirkel, begonnen in de jaren zestig, is rond; de laatste vervulling van de p.democratie.

Het rapport heeft 600 pagina's. Ik heb alleen de samenvattingen in de Volkskrant en deze krant gelezen. Daar staat genoeg in voor tien satirische programma's. Misschien hoef je sommige hoofdstukken alleen maar voor te lezen.