Nooit te lang vasthouden wat je hebt

Verzamelaar Martin Visser kocht zijn leven lang kunst. Maar in plaats dat hij de kunst aan de muur hing deed hij schenkingen, onder andere aan het Kröller-Müller Museum. Die schenkingen zijn nu geïnventariseerd.

Het gebeurt niet vaak dat een Nederlands museum een bestandscatalogus uitgeeft van een privé-collectie. Het verschijnen van The Collection Visser at the Kröller-Müller Museum, een Engelstalige uitgave van dit museum – alleen de inleidende teksten zijn ook in het Nederlands – is dan ook uniek. Het lijvige boek geeft een overzicht van de ruim vierhonderd kunstwerken die het museum in de afgelopen 25 jaar overnam van Martin Visser, zijn vrouw Mia en zijn broer Geertjan. Er is geen Nederlandse particuliere verzamelaar die de afgelopen 25 jaar zoveel weerklank in de museumwereld heeft gevonden als de meubelontwerper Martin Visser (78); zijn broer, die een kleinere maar kwalitatief eveneens zeer goede collectie heeft, treedt minder op de voorgrond. Wel werd in 1992 een selectie uit zijn verzameling in Otterlo getoond onder de titel Una giornata al mare.

Op verzoek van de verzamelaars wordt geen onderscheid gemaakt tussen kunstwerken van de een of de ander; er wordt kortweg gesproken van de collectie-Visser. Martin Visser kocht vanaf 1950 uitsluitend actuele internationale kunst, vaak al voordat een (Nederlands) museum er een expositie aan wijdde. Mede omdat hij in zijn door Rietveld gebouwde huis te Bergeyk weinig ruimte had om kunst op te hangen, gaven hij en zijn vrouw het merendeel van hun snel groeiende collectie eerst in bruikleen aan het Van Abbemuseum in Eindhoven, later ook aan Museum Boijmans van Beuningen, het Groninger Museum en vooral aan het Kröller-Müller Museum. Met dit laatste museum kwam in de jaren zeventig een bijzondere verbintenis tot stand die resulteerde in een vlekkeloze samenwerking tussen de Vissers en dit van oorsprong particuliere museum. Het museum heeft al ruim 25 jaar de eerste keus uit de verzameling-Visser en verwierf er ruim 400 stukken uit in een combinatie van verkoop en schenk! ing: tweederde van de getaxeerde prijs werd door het museum betaald, eenderde van de waarde deden de Vissers cadeau.

De omvang en het belang van deze transacties werd pas gaandeweg publiekelijk bekend, vooral door diverse tentoonstellingen die het Kröller-Müller Museum aan delen uit de collectie wijdde. Tot de meest spectaculaire onderlinge transacties behoort zeker de overdracht van elf werken van Anselm Kiefer in 1998, die het museum met steun van de Vereniging Rembrandt kon verwerven.

Een andere reden om weinig kunst om zich heen te hebben is volgens de Vissers dat kunst in een woonhuis al snel verwordt tot decoratie: `Een schilderij dat hangt, wordt een meubel'. Om die reden kocht vooral Martin Visser liever tekeningen en sculpturen dan schilderkunst. Naast idealisme speelt pragmatiek een rol bij de overdracht aan het museum; de werken worden er goed geconserveerd en zijn verzekerd – een hele zorg minder voor de collectioneur, zoals hij zelf grif toegeeft. Van de verkoopsommen kocht Martin Visser de meest actuele kunst, zodat de collectie steeds in beweging bleef.

Visser kocht nooit één stuk van een kunstenaar, maar vaak hele clusters tegelijk, waardoor een beeld van een oeuvre werd geschetst. Hij begon met honderden werken van Cobra-kunstenaars, die hij al in de jaren veertig kocht en rond 1960 met galeries ruilde tegen Fontana's, Manzoni's en later ook tegen minimal en concept art. Dit inwisselen van soms hele stromingen tegen meer actuele tendensen, wordt in de kunstwereld wel het systeem-Visser genoemd. Hij is erom geroemd maar evenzeer verguisd: een echte verzamelaar houdt wat hij heeft, is de gangbare mening, en het verkopen van kunst laadt al gauw de verdenking op collectioneurs dat zij verkapte handelaren zouden zijn. Zelf zei Visser daar in een interview eens over: ``We hebben altijd het gevoel gehad dat de relatie met de kunstwerken tijdelijk was, dat we er een poosje op mochten passen.''

Met name de meer cerebrale, abstracte kunst van de jaren zestig en zeventig werden in Otterlo met open armen ontvangen, en daarnaast enkele `kern-kunstenaars' die goed vertegenwoordigd zijn in de collectie-Visser: Joseph Beuys, Bruce Nauman en Panamarenko. Wat opvalt, is dat ook van hen meer beschouwelijk werk is vertegenwoordigd: van Nauman bijvoorbeeld de sobere sculpturen uit de jaren zestig, en niet zijn recentere videokunst. Expressionistische schilderkunst paste daar niet direct in, reden waarom de meer barokke, latere richting in de collectie-Visser, zoals doeken van Immendorf en Baselitz, niet in het museum zijn beland; in zulke gevallen liet Visser de stukken veilen. Omdat de kunst van de jaren tachtig en negentig echter steeds expressiever werd, zijn er inmiddels wel grote clusters van Kiefer, Penck en Polke in Otterlo te zien. Het beleid van het museum is dus enigszins van koers veranderd onder invloed van de actualiteit èn van de collectie-Visser.

In het nu verschenen boek fungeert de museale verzameling als de onzichtbare tegenspeler van de privé-collectie. Het legt de nadruk op de individuele oeuvres, hun ontwikkeling en het moment waarop de Vissers met de werken in contact kwamen. De publicatie is kunsthistorisch van opzet, de nadruk ligt op de nauwgezette beschrijving – door kunsthistorica Paula van den Bosch – van de ontwikkelingsgeschiedenis van de 42 vertegenwoordigde oeuvres; van Carl Andre tot Lawrence Weiner, en van Joseph Beuys tot Sigmar Polke. De vormgeving van het boek is sober en hier en daar zelfs streng – de voorplaat van het boek ziet eruit als een ambtelijk inventarisvel, een afbeelding ontbreekt erop.

De verzamelaars zelf zijn niet rechtstreeks geportretteerd door een interview, maar wie de moeite neemt om de tekst integraal te lezen, krijgt inzicht in de keuzes die de Vissers maakten binnen elk oevre, en de afwegingen die daarbij een rol speelden. Er zijn geestige anekdotes in te vinden over strubbelingen met bewonderde kunstenaars; zo bracht de Franse kunstenaar Daniel Buren op Vissers lievelingsplek in het Rietveldhuis zijn beroemde ingreep aan: een verticaal gestreepte strook behang die volgens Visser `de ziel van Rietvelds ontwerp geweld aandoet'. Typerend voor Visser is, dat hij de ingreep desondanks ongemoeid liet; toen het papier vergeelde, bracht hij op aanwijzingen van Buren zelfs eigenhandig een nieuwe strook groengestreept papier aan.

Uit de teksten komt naar voren dat de Vissers een omvangrijke correspondentie onderhielden met `hun' kunstenaars; de brieven en een bijbehorend archief van onder meer catalogi en foto's zijn nog grotendeels in het bezit van de privé-verzamelaars. Er zijn gesprekken gaande om ook die intieme collectie mettertijd over te hevelen naar het museum en daar wellicht een aparte publicatie aan te wijden, aldus de huidige directeur, Evert van Straaten. In elk geval zal er een supplement verschijnen bij deze uitgave, omdat de transacties tussen het museum en de verzamelaars nog steeds doorlopen; de verzamelwoede is wel minder geworden, maar nog niet geluwd.

In een interview dat ik twee jaar geleden met hem had, zei Martin Visser zeer uit te zien naar de publicatie van deze collectiecatalogus: ``Ik ben zo benieuwd om te kijken wat dat nou geweest is, die collectie. Om hem in twee handen te kunnen houden en alles bijeen te zien...'' Het is een typerende uitspraak voor zijn manier van verzamelen: de impact van de werken is niet gesleten, het is geen behang geworden, de verwondering is vers gebleven. Dat heilzame effect is zonder twijfel toe te schrijven aan de Visser-methode van verzamelen.

Zestig tekeningen uit de collectie-Visser zijn in het Kröller-Müller Museum te zien tot en met 8 oktober.

Paula van den Bosch, Anny de Decker, Evert van Straaten (e.a.): The Collection Visser at the Kröller-Müller Museum. Stichting Kröller-Müller Museum,

412 blz. ƒ119,–