Loodzwaar het drijfzand in

De generatie die een oorlog uitvecht in de loopgraven en vervolgens de erevelden vult heeft die oorlog doorgaans niet zelf ontketend. David Kaiser, een auteur die in generaties denkt, deelt zichzelf in bij de baby boomers, de generatie waarvan 59.000 namen op het Vietnammonument in Washington zijn aangebracht. De mannen die de oorlog bevalen, de presidenten Kennedy en Johnson, de ministers McNamara en Rusk, en de generaals Harkins, Wheeler, Westmoreland en Taylor, vormden de `GI generatie', die Amerika de Tweede Wereldoorlog had zien winnen, daaruit de conclusie had getrokken dat het land almachtig was en zich vastbesloten toonde de `fouten' van de jaren dertig, het `appeasement' van Hitler, niet te herhalen.

Kaiser trekt in American Tragedy, ondersteund door nieuw vrijgegeven documenten, scherp de contouren van een conflict dat destijds werd gezien als een worsteling om de toekomst van de wereld, maar dat in werkelijkheid niet meer was dan een mislukte interventie in een burgeroorlog in een afgelegen, voormalige Franse kolonie zonder strategische betekenis. Zijn observaties gelden vooral de Amerikaanse rol; bij zijn onderzoek naar de oorsprongen van het conflict, de ondertitel van het boek, beperkt de auteur zich tot het hoogst noodzakelijke wanneer de Vietnamese, Chinese en Russische beweegredenen aan de orde komen. Daarmee is dit niet het standaardwerk geworden dat mogelijk nog eens wordt geschreven, maar het draagt toch verhelderende inzichten aan over de wijze waarop intelligente, zelfverzekerde en van hun eigen goede bedoelingen overtuigde politici en militairen Amerikanen en Vietnamezen in een bloedige tragedie verwikkelden die niemand enig positief resultaat heeft opgel! everd. Kaisers boek is dan ook in de eerste plaats een kritiek op een generatie die zijn persoonlijke Amerikaanse Droom verstoorde.

American Tragedy loopt tot de zomer van 1965, toen het Amerikaanse volk zich nog nauwelijks van enig kwaad bewust was, en de lange verlieslijsten en grote anti-oorlogsdemonstraties nog jaren op zich zouden laten wachten. Rode draad in het verhaal is de strategie van het Pentagon, met name van de oppermachtige Verenigde Chefs van Staven. Zij ontwikkelden de plannen voor de verwachte definitieve confrontatie met het internationale communisme, een monster waarvan de Sovjet-Unie en communistisch China de tentakels vormden die op hun beurt communistisch Noord-Vietnam, zoals eerder Noord-Korea en later Castro's Cuba, als mijnenhond naar voren hadden gejaagd. Deze hydra diende de koppen te worden afgeslagen, desnoods met atoomwapens.

President Eisenhower had in zijn afscheidsrede gewaarschuwd tegen de risico's van het militair-industriële complex, de kongsi die belang had bij uitbreiding van het wapenarsenaal en bij het volgen van een worst case-scenario. Maar bij Kaiser is Eisenhower zelf niet meer dan een onderdeel van dat complex, een man die zijn opvolgers nog aanspoorde tot het uiterste te gaan. En inderdaad, de auteur toont keer op keer aan dat `thinking the unthinkable' nooit ver weg was. Als Amerikaans optreden tegen Hanoi tot robuust Chinees en Russisch weerwerk in de rest van Indochina of elders (Berlijn of Cuba) zou hebben geleid, zou de greep naar het ultieme wapen niet uitgesloten zijn geweest. Ten tijde van de Yom Kippoeroorlog, in 1973, zou het door Kissinger gelaste groot strategisch alarm de wereld aan de rand van een nucleaire oorlog voeren.

De breuk in deze risicoketen was, volgens Kaiser, Kennedy. Hij was nipt in het Witte Huis gekozen en hield voortdurend rekening met oorlogszuchtige tendensen onder zijn Republikeinse tegenstanders. Zijn directe raadgevers, McNamara, Rusk, Rostow, de gebroeders Bundy, waren maar al te zeer geneigd de uit de Eisenhowertijd overgeleverde directieven te volgen. Maar Kennedy was, hoewel een `GI', meer geïnteresseerd in politieke oplossingen dan in militaire avonturen. En, afgezien van insubordinatie van een enkele admiraal, wist deze president zijn ondergeschikten zijn wil op te leggen.

Maar de prijs – die opvolger Johnson zou betalen – was dat het voorbereiden en gedeeltelijk uitvoeren van plannen werd toegestaan die Amerika verder in het Indochinese moeras voerden. Toen Johnson het signaal gaf dat de lijn van Eisenhower weer werd opgepakt waren de presidentiële adviseurs maar al te bereid hem op die weg te volgen. In korte tijd verveelvoudigde de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Vietnam. Slechts het beperkte absorptievermogen van dat land, meent Kaiser, deed de aanvoer van troepen en materieel stagneren. Uiteindelijk zouden ruim een half miljoen Amerikanen in Vietnam dienen.

De vraag die historici verdeeld houdt, luidt: zou Kennedy, anders dan Johnson, zijn generaals en adviseurs een halt hebben toegeroepen? Kaiser neigt naar een bevestigend antwoord, gezien het omzichtige beleid tijdens Kennedy's presidentschap. Maar vast staat ook dat tijdens een conferentie op Honululu, vlak voor de moord op Kennedy in Dallas, de civiele en militaire leiders van Amerika besloten de president te adviseren tot de aanpak die het beleid van de nieuwe regering zou worden vanaf augustus 1964 (de eerste confrontatie in de Golf van Tonkin) en zeker vanaf Johnsons grote overwinning in de verkiezingen van november van dat jaar.

In 1964 was de keuze beperkt tot escalatie of onderhandelingen. Het zou van Kennedy in dat verkiezingsjaar het onmogelijke hebben gevergd om zijn militaire en politieke entourage tot onderhandelingen aan te zetten. Dat zou als een nederlaagstrategie zijn uitgelegd. Pas in maart 1968, na het vertrek van McNamara en McGeorge Bundy uit de regering, na het Tetoffensief van de Vietcong een maand eerder en nadat de Democratische partij scherp verdeeld was geraakt over de oorlog, besloot Johnson de bombardementen op het Noorden te stoppen, Hanoi onderhandelingen aan te bieden en af te zien van een prolongatie van zijn presidentschap.

Hoezeer de Amerikanen onder Johnson de verhoudingen in de wereld miskenden bleek in juli 1965, bij een ontmoeting tussen Sovjetpremier Kosygin en de Amerikaanse diplomaat Harriman. Kosygin stelde vast dat de Amerikanen op de hoogte waren van de ideologische breuk tussen Moskou en Peking. Maar, voegde hij eraan toe, Amerika voerde in Vietnam een beleid dat Mao juist in de kaart speelde. De Chinezen beschuldigden de Sovjetleiders van revisionisme, van het loslaten van de stalinistische lijn. De oorlog in Indochina sterkte hen in hun mening dat zij het bij het rechte eind hadden en de Russen zich door Washington bij de neus lieten nemen.

Kosygin zei dat hij dit nog niet eerder tegen iemand had gezegd. Hij vroeg Harriman zijn woorden aan Johnson over te brengen. Maar het duurde tot 1972 voordat Amerika inspeelde op het Chinees-Russische geschil. President Nixon en zijn adviseur Kissinger brachten toen de opening naar China tot stand, en sloten met Moskou het SALT-1-akkoord over kernwapens. Kissinger zou concluderen dat Amerika tijdens het Johnson-bewind geen buitenlandse politiek had die die naam verdiende. Kaiser vertelt hoe Johnson buitenlandse leiders, ook bondgenoten, schoffeerde door te weigeren hen te ontvangen. Vietnam verwerd in Amerika steeds meer tot een binnenlands-politieke kwestie. Een dolkstootlegende, de beschuldiging dat de binnenlandse critici van de oorlog Amerika's nederlaag hadden veroorzaakt, was het verziekte resultaat.

Kaiser maakt geloofwaardig dat het debacle in de eerste plaats het gevolg was van een Amerikaanse misrekening in Zuid-Vietnam zelf. De Amerikaanse leiders kenden Vietnam niet en hielden geen rekening met de geschiedenis van dat land. De hoop dat de Zuid-Vietnamezen op eigen kracht de communisten zouden verslaan werd de bodem ingeslagen door het lang miskende feit dat, vooral in de dichtbevolkte Mekongdelta, de Vietcong als bevrijders werden gezien. De Amerikaanse aandacht was altijd gericht op de `infiltratie', op de hulp van het noorden aan de opstand in het zuiden. Het succesvol onderscheppen van de infiltratie zou Hanoi duidelijk maken dat de oorlog niet gewonnen kon worden. Die gedachte leidde tot uitbreiding van de oorlog naar de infiltratieroutes in Laos en Cambodja en naar Noord-Vietnam zelf, in de veronderstelling dat de Amerikaanse overmacht, vooral in de lucht, Chinezen en Russen van een regelrechte interventie zouden afhouden. Tenslotte hadden de communisten de l! angste adem. In 1975 viel Saigon en werd omgedoopt tot Ho Tsji Minhstad. Met Clinton kwam de babyboom generatie in 1992 aan de macht.

David Kaiser: American Tragedy. Kennedy, Johnson, and the Origins of the Vietnam War. Harvard University Press, 566 blz. ƒ83,20