Kunst is hier een vies woord

Het festival van Perpignan is het belangrijkste internationale trefpunt voor fotojournalistiek. ,,Eerst Oost-Timor, dan Sierra Leone, en op zaterdag eindigen we met Tsjetsjenië. We maken ze murw.''

Vanavond op het programma: straatjongeren in Nicaragua, de burgeroorlog in Sierra Leone, zigeuners in Oost-Europa, het landschap van IJsland en Groenland, en als uitsmijter tien jaar strijd in Algerije. Niet echt een onbekommerd avondje uit. Toch staan honderden mensen een uur in de rij om het te mogen zien, al die foto's die op een gigantisch scherm worden geprojecteerd. In hoog tempo trekt de wereld aan ons voorbij.

De grimmigheid van elders lijkt ver verwijderd van dit lieflijke plein. De Campo Santo in Perpignan is een door kloostergangen omringde, en niet als zodanig herkenbare begraafplaats. Achter het scherm verrijst de kathedraal. Om twaalf uur 's avonds, als het publiek van plein naar terrasjes kuiert, is het nog warm. Op de terrasjes wordt nagepraat over de foto's. Ook al kwamen ze van ver, ze hebben veel indruk gemaakt. Het levensgrote formaat, de goed gekozen begeleidingsmuziek, en de collectieve aandacht van zo'n groot publiek maken een dia-avond tot een indringende confrontatie. Een betere ontvangst van zijn werk kan een fotograaf zich niet wensen.

De soirees zijn het meest tot de verbeelding sprekende onderdeel van Visa pour l'Image, het internationale festival voor fotojournalistiek dat dit jaar zijn twaalfde editie beleeft. Twee weken lang staat de Zuid-Franse – eigenlijk: Catalaanse – stad Perpignan in het teken van documentaire fotografie. Verspreid over de oude binnenstad, in kloosters en kerken, zijn ruim dertig tentoonstellingen te zien. Fotografen vertellen over hun werk en discussiëren met collega's. Fotoredacteuren van kranten en tijdschriften zoeken nieuw talent en zitten in het festivalcentrum de hele dag portfolio's te bekijken. Vertegenwoordigers van agentschappen als Network, Gamma en Grazia Neri proberen werk van `hun' fotografen aan de fotoredacteuren te slijten. En dan is er nog, zoals dat hoort bij een heus festival, een schaduwfestival met zeventig kleine exposities in winkels, ateliers en dergelijke. Perpignan is het `Cannes van de fotojournalistiek', aldus directeur Jean-Francoi! s Leroy. ,,We hebben bereikt wat ons twaalf jaar geleden voor ogen stond: als je in dit veld werkt, moet je in september in Perpignan zijn.''

Kunst is hier een vies woord. Fotografie waar het gaat om de esthetiek, zoals in mode- of reclamefotografie, dat zijn de anderen. Op `Visa', zoals het festival liefkozend wordt genoemd, telt alleen de harde realiteit, en het adequaat weergeven daarvan staat op gespannen voet met artistieke pretenties. Zeggen de fotografen. Ze zijn journalisten, geen kunstenaars. Het onderscheid is minder absoluut dan ze suggereren, want artistieke overwegingen spelen wel degelijk een rol. Een goede fotojournalist is niet alleen op het juiste moment op de juiste plaats, maar heeft ook oog voor compositie, kleur, licht.

Intuïtie

Fotojournalisten zijn per definitie geëngageerd, betrokken bij de wereld om hen heen. Zo betrokken zijn ze bij de inhoud van hun onderwerp, dat ze slechts met tegenzin over de vorm praten. Dat ze soms de werkelijkheid weten te vangen in beeldschone, of hele krachtige beelden, schrijven ze toe aan `intuïtie'. Aarzelend zeggen ze dat ze die kant misschien meer willen uitproberen. In de woorden van de Franse oorlogsfotograaf Joel Robine: ,,Artistiek is een term die ik niet gebruik, maar ik begin wel wat moe te worden van de kleur rood, de kleur van bloed. Ik zou wel eens willen werken met blauw, of oker.''

Robine voldoet aan het cliché van de oorlogsfotograaf: cynisch, onbehouwen en alles relativerend, maar niet onsympathiek. Op zijn tentoonstelling hangen foto's uit het Midden-Oosten, Afrika, de Balkan, Tsjetsjenië. Een foto uit Albanië tijdens de NAVO-bombardementen van vorig jaar valt op door de positie van de fotograaf. Een moeder beschermt haar zoon voor haar huis, op de achtergrond, niet ver weg, is rook van een explosie te zien. Confronterender dan de talloze foto's van vluchtelingen uit Kosovo. Robine en zijn landgenoot Jerome Delay, werkzaam voor Associated Press, zijn de enige twee echte nieuwsjagers die op het festival exposeren. Bij Delay hangen ook de vele voorpagina's, vooral van Libération, die hij met zijn foto's haalde. Het oogt wat ijdel, maar het is wel interessant, al was het maar om te zien hoe verminkt de foto's in de krant komen.

De meeste tentoonstellingen tonen persoonlijke projecten, gewijd aan één onderwerp. Fotografen als Robine en Delay worden door hun agentschappen van de ene naar de volgende brandhaard gestuurd, hun collega's die voor tijdschriften werken zijn veel vrijer in de keuze van hun onderwerpen. Zij hebben de tijd om, eventueel naast meer lucratieve opdrachten, jarenlang aan een serie te werken en die uiteindelijk in boekvorm te publiceren. Hun werk verschilt weinig van documentairefilmers: op creatieve wijze verbeelden ze een aspect van de alledaagse werkelijkheid.

Het zijn onderwerpen in de schaduw van de actualiteit, variërend van ruime afbakeningen als wereldwijde christelijke devotie (Mike Abrahams) of schoonheidsidealen (Jodi Cobb), tot concrete onderwerpen als Noord-Koreaanse vluchtelingen in China (Gyu-Hyeon Jeong) of latino-bendes in Los Angeles (Donna DeCesare). Sommige series zijn logistiek vrij overzichtelijk, andere series maken alleen al indruk door de geografische diversiteit. De stoomtreinen van Cyril le Tourneur D'Ison rijden overal, en Fernando Moleres maakte een prachtige, al wat oudere reportage over kinderarbeid van Bangladesh tot Marokko.

Slechte foto's zijn er niet in Perpignan, maar sommige series maken meer indruk dan andere. De Deense fotograaf Henrik Saxgren schrok toen hij in 1994 terugkwam in de Nicaraguaanse hoofdstad Managua. In de jaren tachtig was hij onder de indruk geweest van de sandinistische revolutie, en van de sociale verworvenheden die deze opleverde. Midden jaren negentig was daar niets meer van over, en leek het land zijn waardigheid te hebben verloren, ten onder te gaan aan armoede. Saxgren noemt Nicaragua een land zonder vaders, na de Amerikaanse sabotage van de revolutie zijn de ex-sandinistas volgens hem passief en gedesillusioneerd.

Ontspoord zijn ook de tienermeisjes, door Saxgren gevolgd terwijl ze 's nachts rondhangen, lijmsnuiven en hun baby's verwaarlozen. Ze wonen in bij oude mannen in krotwoningen, en betalen de huur met seks. Met prostitutie heeft het niets te maken, aldus Saxgren, het is delen van de armoede. Ook al zit hij de meisjes dicht op de huid en is het onderwerp sensationeel genoeg, Saxgren vermijdt elke vorm van voyeurisme of effectbejag. Uit de foto's spreekt betrokkenheid en begrip, zelfs voor de oude mannen die de meisjes gebruiken. De man die zijn krot na de orkaan Mitch weer opbouwde voor `zijn' meisjes, gaf Saxgrens boek zijn naam: Solomon's House.

Enschede

Nederland is slecht vertegenwoordigd in Perpignan. Een van de Nederlanders die is doorgedrongen tot de internationale eregalerij is Jan Banning, wiens serie over door het Amerikaanse chemische wapen Agent Orange misvormde Vietnamezen tijdens één van de soirees werd vertoond. Zaterdagavond werden Tsjetsjenië-foto's vertoond van leo Erkens. Opmerkelijk is dat de tien foto's van de ramp in Enschede, getoond in het jaaroverzicht, allemaal werden toegeschreven aan buitenlandse fotografen. Ter compensatie van deze misstand is er een flinke Nederlandse delegatie als bezoek aanwezig.

Enig verantwoordelijke voor de keuze van de tentoonstellingen is, naar eigen zeggen, directeur Leroy. Jaarlijks ontvangt Leroy drieduizend voorstellen, voor de programmering van de soirees vraagt hij de agentschappen om voor bepaalde onderwerpen series aan te leveren. De programmering is volledig onafhankelijk, bezweert de directeur. ,,Er is voor niemand ruimte gereserveerd. Ik heb geen regels, alles wat je ziet is mijn smaak of, als je wilt, wansmaak.'' Freelance fotografen zijn volgens Leroy even welkom als fotografen in dienst van agentschappen, de belangenbehartigers van de fotografen die prominent aanwezig zijn op het festival.

Weinig populair onder fotografen is het Amerikaanse bedrijf Corbis, eigendom van Bill Gates en door agressieve acquisitie van archieven en agentschappen in tien jaar tijd uitgegroeid tot de grootste aanbieder van foto's op internet. Corbis beschikt over de rechten van 65 miljoen foto's, waarvan er 2,1 miljoen digitaal beschikbaar zijn. Dankzij de connectie met Microsoft is snelle en wereldwijde distributie verzekerd, maar het accent ligt volgens critici teveel op commerciële exploitatie en te weinig op inhoudelijke collectievorming. Het aanbod aan beelden zal door de monopoliepositie van Corbis verschralen, zo vreest men, en alleen al voor de geschiedschrijving is dat een gevaarlijke ontwikkeling.

De suggestie dat een debat over de rol van Corbis wellicht ontbreekt op het festival omdat het bedrijf een belangrijke sponsor is, valt verkeerd bij Leroy. ,,Ik ben helemaal niet bang voor Corbis! Fuck zem! Fuck zem! Zo'n debat had best gekund, maar ik hoef toch niet alles te organiseren? Perpignan is een instrument voor de fotojournalistiek, wij bieden de faciliteiten, anderen moeten daar gebruik van maken.''

Grote verschuivingen heeft Leroy in de twaalf jaar dat het festival bestaat niet gezien in de fotojournalistiek. De techniek verandert, maar inhoudelijk blijft het aanbod grofweg gelijk. Hard waren de foto's altijd al, zegt hij. ,,Mensen verwijten me soms dat ik te agressief ben in mijn selectie. Niet ik, maar de mensen die die gruwelijkheden begaan zijn agressief, zeg ik dan.'' Met zichtbaar genoegen vertelt Leroy vervolgens hoe de soirees in de loop van de week steeds zwaarder worden. ,,Eerst Oost-Timor, dan Sierra Leone, en op zaterdag eindigen we met Tsjetsjenië. We maken ze murw.''

De mooiste foto's uit Tsjetsjenië zijn gemaakt door de jonge Duitse fotograaf Thomas Dworzak, op het festival bekroond met de Prix Kodak du Jeune Reporter 2000 en onlangs als kandidaat-lid geaccepteerd door het legendarische fotocollectief Magnum. De foto's, gemaakt in Grozny begin dit jaar, zijn verbazend helder en licht. Dworzak woont sinds 1993 bij vlagen in de Kaukasus, leerde de taal, verbond zich met de Tsjetsjenen. Buitenlandse journalisten zijn er nauwelijks meer in de regio. Hij betwijfelt of zijn foto's iets zullen veranderen, maar hij is nog twintig jaar verwijderd van het cynisme van collega Joel Robine. Voor hem niet elke maand een nieuw land en een nieuwe ramp, maar blijvende belangstelling voor hetzelfde gebied. Volgende week gaat Dworzak terug naar Tsjetsjenië, desnoods met zes lijfwachten.

Website: www.visapourlimage.com

Fotojournalisten praten

slechts met tegenzin

over de vorm