In het spoor van Kees de Jongen

Net als schrijvers zeggen popsterren vaak dat ze een rotjeugd hebben gehad. Als ze niet straatarm waren, dan groeiden ze wel op in een gruwelijk saaie buurt. In tientallen popbiografieën valt te lezen hoe de grote bevrijding kwam via de muziek. De hoofdpersoon hoort bijvoorbeeld een lied op de radio en zijn leven verandert. `Her life was saved by rock and roll', zingt Lou Reed, die door zijn ouders naar shocktherapie werd gestuurd. En weeskind John Lennon zei over zijn jeugd: `Before Elvis there was nothing.'

De laatste held, de debuutroman van popster Rick de Leeuw, bevat veel elementen uit zo'n typisch heldenleven. De Leeuw is al meer dan twintig jaar zanger van de vooraanstaande popgroep Tröckener Kecks. De laatste held is weliswaar een roman over de fictieve kostschooljongen Richard, maar fans zullen in het verhaal duidelijk de biografie van de zanger herkennen. Dat is ook het aantrekkelijke van het boek, je weet hoe het de held zal vergaan nadat het verhaal eind jaren zeventig ophoudt.

Net als zijn alter ego is De Leeuw een halve wees. Hij bracht zijn jeugd door op een Heemsteedse kostschool waar hij het vreselijk had. De bevrijding kwam bij een optreden van The Jam in Paradiso. Niet veel later werd De Leeuw zanger van de eerste Nederlandstalige punkgroep Tröckener Kecks. Met singles als `Rick Ringers' (`heeft het in zijn vingers') en `Niet alle meisje zijn verliefd op Kors' maakten ze in kleine kring furore. Sinds het hitje `Kom terug Rosa', en door een melodieuzere aanpak in de jaren negentig, is de band nu bij een breder publiek bekend.

Wat hieraan vooraf ging, is te lezen in De laatste held. De roman vertoont echter een opmerkelijk verschil met een doorsnee popboek: er komt vrijwel geen muziek in voor. De meeste musici beginnen reeds op jonge leeftijd met spelen of zingen. Ze luisteren in ieder geval de hele dag naar muziek. Zo niet Richard. In de tweede helft van de roman noemt hij terloops Supertramp en Pink Floyd, maar juist als groepen die hij verafschuwt, mede omdat ze zijn vriendjes van het voetballen afhouden. Als de muziek eindelijk in zijn leven komt, is de roman afgelopen.

Dat De Leeuw de muziek zo nadrukkelijk buiten zijn roman laat, kan zijn ingegeven door de wens om de uiteindelijke bevrijding in Paradiso sterker te maken. Maar het kan ook zijn dat De Leeuw, die tot de punkgeneratie behoort, ervan uitgaat dat er vóór de punk alleen maar slome muzak werd gemaakt. In die visie kwam punk uit het niets, om af te rekenen met alles wat daarvoor was. `Before Johnny Rotten there was nothing'. Punkartiesten hoefden bovendien niet reeds op jonge leeftijd achter de piano te hebben gezeten omdat in hun genre het beheersen van een instrument niet noodzakelijk was, zoals het dat later voor hiphop- en house-artiesten ook niet meer was.

In plaats van om muziek draait het leven van de weesjongen om voetbal, om Ajax, om Johan Cruijff. Konings grootste droom is niet om in een wereldband te spelen, maar om in de basis van Ajax 1 te staan. In grappige dagdromen, die sterk doen denken aan die in Kees de jongen, ziet Koning zichzelf het winnende doelpunt maken en ontdekt worden door Ajaxtrainer Rinus Michels, die hem toevallig vanaf een bushalte gadeslaat.

In zijn mooiste dagdroom ziet de schooljongen zichzelf als gevierde voetballer met een televisieploeg terugkeren naar zijn kostschool, zoals Cruijff en Gerard Reve ooit voor documentaires terugkeerden naar het Amsterdamse Betondorp. Het mooie van die dagdroom is dat de jonge Richard zich er reeds van bewust is dat je in zo'n documentaire moet acteren, en de ellende moet afzwakken om hem sterker voelbaar te maken: `Ik lach bescheiden. Het is zaak nu een gewone jongen te blijven, schiet het door mijn hoofd. Net als Cruijff in de film.'

Cruijff speelt in het boek de rol van God de vader, die steeds even langskomt om Richard wijze lessen te geven. Enigszins zoals Humphrey Bogart adviezen geeft aan Woody Allen in Play it again, Sam. Anders dan de echte Cruijff oreert deze Cruijff trouwens in begrijpelijke taal, en met respect voor de Nederlandse grammatica. `Ga je eigen weg', predikt Cruijff vaderlijk en streng. Uiteindelijk adviseert hij Richard zelfs om afscheid te nemen van zijn voetbaldromen: `Misschien was je nooit de beste en durf je dat nu onder ogen te zien. (...) Je moet durven verliezen om te kunnen winnen.' Bij de snackbar tegenover Paradiso laat Richard zijn laatste held achter.

Kostscholen en voetbal; naast Kees de jongen lijken de jongensboeken over de Katjangs van J.B. Schuil duidelijk van invloed op De laatste held. De Leeuw poogt ook een jongensboek te schrijven, al ontbreekt de humor en is hij terughoudend met sentiment. In korte scènes, niet chronologisch achter elkaar gezet, vertelt hij tamelijk kaal en kort over Richards ellende. Dat is deels prettig, omdat het boek anders te veel een smartlap zou worden, en deels noodzakelijk, omdat De Leeuw stilistisch niet vaardig genoeg is om scènes uit te diepen of mooi aan te kleden. De laatste held is als de betere nummers van de Tröckener Kecks: een kort, rauw, krachtig lied waarin een romantisch verhaal snel en simpel wordt verteld door een zanger die zijn beperkte bereik compenseert door een sympathieke gedrevenheid.

Rick de Leeuw: De laatste held. Nijgh & Van Ditmar, 138 blz. ƒ25,-. (incl. cd-single van Tröckener Kecks)