Het politieke debat wordt vanzelf Europees

De Amerikaanse verkiezingscampagne werd korte tijd beheerst door een debat over het debat. De presidentskandidaten konden het even niet eens worden over de modaliteiten van de discussies die zij met elkaar op televisie zouden hebben. Het is waarschijnlijk een typisch Westers verschijnsel: niet debatteren over de inhoud van het beleid, maar over nut en noodzaak van een debat over dat beleid. In Europa bijvoorbeeld gaan stemmen op die een debat verlangen over vorm en status van een toekomstig verenigd Europa en, meer specifiek, over de uitbreiding van de Europese Unie met staten in Midden- en Oost-Europa. De vraag dringt zich op: wat motiveert dit appèl?

Het is een bekend verhaal, zo oud als de Europese eenwording zelf. Het verenigen van Europese landen in Gemeenschap en vervolgens Unie zou het werk zijn van een elite. De volkeren zijn nauwelijks betrokken. Zij leven min of meer tevreden in hun natiestaten en zij talen er niet naar invloed te oefenen op en in het gemeenschappelijke Europa. De teleurstellende opkomst bij verkiezingen voor het Europees Parlement wordt als bewijs voor die stelling aangevoerd. Dit democratisch gat verdient aandacht.

Hierna scheiden zich de wegen. De één inspireert dit verhaal tot verzet tegen de Europese gedachte, de ander concludeert dat de elitaire beslotenheid moet worden doorbroken en met het volk het debat moet worden aangegaan, al was het maar om te voorkomen dat men op verkeerde gronden nog eens tegen het verenigd Europa in opstand komt. Die laatste benadering, zo mag worden aangenomen, was de benadering van Eurocommissaris Verheugen toen hij in een kranteninterview pleitte voor een referendum alvorens staten soevereiniteit overdragen. ,,Bij de uitbreiding van de EU mogen wij niet weer over de hoofden van de burgers heen besluiten'', had hij eerder in het vraaggesprek gezegd. Sprekend over de invoering van de euro, zei Verheugen: ,,Ik was toen voorstander van een volksraadpleging. Deze zou de elites hebben gedwongen uit hun ivoren toren naar buiten te komen en in een dialoog met de mensen voor de euro te werven.''

Het klinkt allemaal als het pistool op de borst – en nogal elitair: als U, burger, zich niet uit zichzelf bemoeit met de Europese gang van zaken, dan dwingen wij U wel via een referendum. Niet alleen zouden de elites uit hun ivoren toren hebben moeten komen, maar de mensen zouden zich door die elites voor de euro hebben moeten laten werven. De uitkomst stond voor Verheugen vast. Aan referenda zijn risico's verbonden, erkent de commissaris, maar hij ziet ze toch vooral als een verzekering voor de toekomst. Een volk dat zich eenmaal per referendum met een bepaald besluit heeft vereenzelvigd, kan moeilijk terug, lijkt zijn redenering.

Het debat over het debat is bij nader inzien minder neutraal dan het schijnt. Bij Verheugen is het referendum een instrument om een debat los te wrikken dat uitmondt in besluiten die hem welgevallig zijn: invoering van de euro, uitbreiding van de Unie. Waarom dat dan niet gewoon gezegd? Ook zonder een referendum is een brede maatschappelijke discussie mogelijk, zolang de beleidsdoelen maar duidelijk zijn. En voorzover het om de invoering van de euro ging, was dat het geval. Het doel was duidelijk, de bezwaren zijn breed uitgemeten, de voordelen eveneens. Verheugen verdraait de feiten als hij zegt dat de ene munt achter de rug van de bevolking is ingevoerd.

Verheugens landgenoot, minister van Buitenlandse Zaken Fischer, heeft het anders aangepakt. Sprekend over de uitbreiding en de toekomst van het verenigd Europa stelde hij onlangs voor zich een beeld te vormen van de uitkomst van het eenwordingsproces en zich niet langer alleen maar tevreden te stellen met het nemen van kleine stappen. Fischer toonde zich bij die gelegenheid voorstander van een federale constructie op constitutionele grondslag. Anders dan vele anderen vroeg hij niet om een debat, hij dwong met zijn voorstellen een debat af. Zelfs president Chirac nam de uitdaging aan en reageerde in een rede voor de Bondsdag. Chirac wees een Verenigde Staten van Europa af, maar verklaarde een Europa van verenigde staten voor mogelijk te houden. Ten minste hield Europa er een aardige woordspeling aan over.

Maar de rest van de elites, om met Verheugen te spreken, is in de ivoren toren gebleven. Fischers ambtgenoten uit de EU, in vergadering bijeen, besloten kortgeleden niet op diens voorstellen in te gaan. Zij houden zich, pragmatisch als zij zijn, bij de traditie van het beleid van de kleine stappen. Een kans om eens echt over de uiteindelijke staatkundige vormgeving van Europa van gedachten te wisselen, is ongebruikt gelaten. Zelfs op een eerdere suggestie van minister Védrine om Fischers voorstellen na afloop van het Franse voorzitterschap te bespreken, werd niet teruggekomen.

In dit geval kan de elites niet worden verweten onderling hun zaakjes te regelen. In hun beslotenheid doen zij er het zwijgen toe. Uit geheim beraad wordt nog wel eens gelekt, waarna de goegemeente meer of minder adequaat op het gelekte kan reageren. Maar als de elites hun mond houden, valt de rest vanzelf stil. De roep om een debat verwordt dan al snel tot een roep uit de woestijn.

Of niet? De gedachte dat de elites nodig zijn om een debat los te weken is op zichzelf elitair. Niets staat de burgers in de weg om zich een mening te vormen over wat op Europees niveau gaande is. De media berichten er uitvoerig over. Politieke partijen en volksvertegenwoordigers kunnen er op worden aangesproken. Er zijn geen beroepsgroepen die zo goed weten wat in Europa omgaat als de boeren en de vissers, of het moeten de transporteurs zijn. Dat komt omdat hun belangen al tientallen jaren lang rechtstreeks worden beïnvloed door Europese besluiten. Dat geldt voor ondernemers in het algemeen, maar zeker ook voor milieubewegingen die hebben ontdekt dat een gezond milieu niet aan de nationale grenzen kan worden verdedigd.

De Europese integratie voltrekt zich gelaagd: steeds meer terreinen raken erbij betrokken. Voor steeds meer Europese burgers ontwikkelt de Unie zich van een ver verschiet tot een nabije grootheid die invloed heeft op hun leefomstandigheden. De gelaagde opzet van de bestuursstructuur onttrekt die ontwikkeling aan de waarneming. Nationale politici verkeren nog vaak in de veronderstelling dat zij de top van de bestuurlijke piramide vormen. Maar naarmate meer besluiten over meer sectoren op Europees niveau worden genomen, zal het politieke debat als vanzelf naar dat niveau worden getild. Om een debat over Europa behoeft dan niet meer te worden gevraagd.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.