Het Groene Poldermodel kan niet genegeerd worden

Werkgevers en milieuorganisaties vliegen elkaar regelmatig in de haren. Over Schiphol bijvoorbeeld. Maar zonder inbreng van milieuorganisaties is het zogeheten Groene Poldermodel ten dode opgeschreven. Wil dit model een succes worden, dan moeten partijen elkaar wel als gelijkwaardige gesprekspartners beschouwen, meent Wijnand Duyvendak.

Gaat het Groene Poldermodel het redden? De afgelopen weken liep het overleg tussen milieuorganisaties en LTO vast, en stapte het VNO-NCW uit het door minister Pronk geïnitieerde `polderoverleg' over de vijfde nota ruimtelijke ordening. VNO-NCW wilden niet langer aanzitten aan een overlegtafel waar ook Natuurmonumenten, de Stichting Natuur en Milieu en Milieudefensie een actieve rol spelen.

Eigenlijk is de term Groen Poldermodel misleidend. De term suggereert een zorgvuldig geconstrueerd bouwwerk van overleggen en procedures. Maar binnen het Groene Poldermodel wordt pas een paar jaar met vormen van overleg geëxperimenteerd. Vanzelfsprekend gaat dat met vallen en opstaan.

Milieudefensie is voor de Groene Polder en participeert er actief in. Maar we zijn ons tegelijkertijd bewust van de beperkingen: lang niet alle milieuconflicten kunnen er goed mee worden opgelost. Een eerste voorwaarde is, dat de betrokken partijen het erover eens zijn dat er een probleem is. Er kan bijvoorbeeld pas aan een oplossing van het broeikaseffect gewerkt worden, als alle partijen erkennen dat dit effect ook inderdaad bestaat. In het overleg over bestrijdingsmiddelen tussen Stichting Natuur en Milieu en LTO ging het hier de afgelopen maanden mis: LTO is niet echt overtuigd van de schadelijkheid van deze middelen. Dan is de kans dat je er samen uitkomt natuurlijk klein. Overleg met Schiphol lijkt op dit moment ook weinig zinvol, nu Schipholbaas Cerfontaine er een gewoonte van maakt om de milieuproblemen die de luchthaven veroorzaakt te bagatelliseren, en iedereen die op die problemen wijst, te beschuldigen van demagogie.

Het Groene Polderoverleg lijkt evenmin perspectiefvol wanneer de oplossing van een milieuprobleem de belangen van bijvoorbeeld een bedrijf te veel aantast. Met de KLM zou je het misschien nog eens kunnen worden als vermindering van de luchtverontreiniging door schonere motoren gerealiseerd kan worden. Maar als dat alleen te bereiken is door 25 procent minder te vliegen, is overleg hierover natuurlijk kansloos. Ook voor milieuorganisaties is niet alles onderhandelbaar. Zo zullen wij nooit akkoord gaan met een beetje gaswinning of een beetje inpoldering van de Waddenzee.

Het Groene Poldermodel is een manier om de vormgeving van onze samenleving niet primair over te laten aan de overheid en de markt, maar daar de civil society actief bij te betrekken. Een sterke overheid heeft sterke maatschappelijke organisaties en actieve burgers, een sterke civil society nodig – en omgekeerd. Binnen deze verhoudingen, krijgt het `primaat van de politiek' werkelijk betekenis. De overheid bepaalt de hoofdlijnen, de kaders, en markt en civil society vullen deze in overleg verder in. Om van het Groene Poldermodel een succes te kunnen maken, is de houding van betrokken partijen doorslaggevend. Het gaat erom dat partijen elkaar erkennen als gelijkwaardige gesprekspartners die bereid zijn op het terrein van milieu en natuur naar gemeenschappelijke standpunten te zoeken, en waarbij uitruil van belangen en het sluiten van compromissen nadrukkelijk een optie is.

Het moge duidelijk zijn dat VNO-NCW deze houding bij het overleg over de ruimtelijke inrichting van Nederland niet heeft willen of kunnen opbrengen. In een verklaring noemde de werkgeversorganisatie het overleg `te groot', een `kakofonie van meningen', en `chaotisch'. Ik was erbij, en herken niets van dit beeld. Het waren beschaafde en tamelijk constructieve gedachtewisselingen. Vijftien organisaties en zes bewindslieden bereikten op een aantal terreinen overeenstemming, bijvoorbeeld over het belang van een ander waterbeheer, of over de verantwoordelijkheden van rijk en provincie terzake van de ruimtelijke ordening. Er is eveneens een gemeenschappelijk beeld ontstaan over het belang van werken met `rode contouren': harde grenzen tussen waar wel en niet gebouwd kan worden. De vraag wáár deze rode contouren precies moeten lopen, is vervolgens weer aan de politiek. Mijn stellige indruk is, dat VNO-NCW bij de laatste twee besprekingen is weggebleven, omdat ze geen! zin hebben de tafel te delen met natuur- en milieuorganisaties. De balans slaat in zo'n gezelschap wat vaker naar groen door en dat is kennelijk even wennen.

Milieu is een collectief goed, daarom is de besluitvorming erover uiteindelijk altijd in handen van de politiek. De overheid is de regisseur van het Groene Polderoverleg: soms in een actieve rol, soms op grotere afstand. Maar altijd een regisseur die ervoor moet zorgen dat de belangen van de milieuorganisaties, net als die van de andere deelnemende partijen, serieus worden genomen. Het kabinet-Kok ontbeert helaas deze attitude. Typerend is hoe premier Kok en minister Netelenbos zijn omgegaan met TOPS, het overlegplatform van Schiphol en de milieubeweging. Het ging mis omdat het kabinet, terwijl de milieuorganisaties met Schiphol aan het onderhandelen waren, aan een andere onderhandelingstafel met Schiphol de milieugrenzen fors versoepelde. Schiphol had er dus helemaal geen belang meer bij om er met ons uit te komen. En terwijl de voorzitter van TOPS, H. van der Vlist, de minister had laten weten dat TOPS zijn advies in februari 2000 gereed zou hebben, besloot het kabinet da! t advies niet af te wachten, en al op 17 december 1999 besluiten terzake te nemen.

De Groene Polder heeft alleen kans van slagen wanneer de politiek het milieu een volwaardige plaats geeft. Het sociaal-economische poldermodel kon ook pas tot wasdom komen toen politiek en werkgevers de werknemersbelangen erkenden. Het Groene Poldermodel kan pas functioneren als de machtsbalans tussen de partijen niet te ver uiteenloopt: alleen dan krijgt geven en nemen een kans. Daarom zijn voor Milieudefensie overleg en actievoeren of overleg en het voeren van juridische procedures geen tegenstellingen, maar horen ze onlosmakelijk bij elkaar. In het sociaal-economische poldermodel zijn werkgever en werknemer zich bij wijze van spreken elke dag bewust van hun wederzijdse afhankelijkheid, en daarmee dus ook van de macht die ze op elkaar kunnen uitoefenen.

In het Groene Poldermodel is dit lastiger. De afhankelijkheid van bedrijven (en de politiek) van het milieu en van de milieubeweging wordt over het algemeen niet dagelijks gevoeld. Dit onderstreept de noodzaak voor de milieuorganisaties om actie te voeren, juridische procedures aan te spannen en veel mensen op de been te brengen.

Wijnand Duyvendak is directeur van Milieudefensie.