Het gebruikelijke kattenkwaad

NEW YORK Iets na zes barstte het onweer los, binnen een paar minuten waren de straten leeg. Het laatste stuk legde ik rennend af. Niet dat het veel hielp, doorweekt bereikte ik de plaats van bestemming.

Precies wat ik had verwacht, bruine ogen, spijkerbroek, T-shirt met tweekleurig motief, een misprijzende blik.

Vijf trappen gingen we zwijgend omhoog, toen zei hij: ,,We zijn de kinderkamer aan het verven.''

Van voren hing het T-shirt uit zijn broek, van achteren niet.

,,Ze komt zo thuis'', zei hij, ,,ze is nog even boodschappen doen.''

In het midden van de woonkamer stond een houten eettafel.

We gingen zitten en hij stak een sigaret op.

Ik was zijn naam vergeten, het was een gewone naam, hij lag op het puntje van mijn tong.

Vroeger was me zoiets niet overkomen.

,,Het is allemaal snel gegaan'', zei ik met mijn allervriendelijkste conversatiestem, geconcentreerd om het Engels zo accentloos mogelijk uit te spreken.

Hij inhaleerde, blies uit, de geur van zijn sigaret verdreef de verflucht.

,,Is daar iets mis mee?''

,,Oh nee'', zei ik snel, ,,totaal niet.''

De tijd tussen bliksem en donder werd steeds korter.

We keken naar buiten.

,,Moesson'', zei hij. ,,Ik heb alleen bier.''

Hij opende twee flesjes met een sleutelhanger.

,,Op het geluk'', zei ik en nog altijd zocht ik zijn naam.

Alleen daden waren raadselachtig, woorden niet. Ik vroeg me af of je slecht kon zijn met alleen maar woorden of dat slechtheid daden vereiste.

De opvatting dat je met woorden iets maakte dat er eerst niet was, leek me niet waar.

Eerder was het zo dat je met woorden iets anders aan het zicht onttrok. Woorden vulden de lege plek op, zoals een beha met vulsel de lege plek opvult. Een onderwerp dat uitwerking verdiende, maar urgenter was zijn naam.

,,Je vorige vrouw woonde hier ook?'' informeerde ik.

,,Vriendin. Ik heb twee nachten niet geslapen, neem me niet kwalijk, ik ben niet echt in een analytische stemming.''

,,Zal ik gaan, en een andere keer terugkomen?''

Hij drukte zijn sigaret uit.

,,Oh nee, ik heb geen last van je.''

Onvermijdelijk vergelijkt de mens zich met andere mensen, hij kan zich moeilijk met de goden of eekhoorntjes vergelijken. In deze kamer was een vergelijking gaande die in mijn nadeel uitviel.

,,Is ze ver weg?''

,,Boodschappen doen. We zijn aan het verbouwen.''

Hij opende nog twee flesjes bier, opnieuw met zijn sleutelhanger.

Ik wilde slecht zijn, wie dat gebied wil onderzoeken kon zichzelf niet buiten beschouwing laten. Men moest mij nageven dat ik het niet bij een stille wens had gelaten.

Maar wat voor het goede geldt, geldt ook voor het slechte. Het kan niet bij woorden blijven. Op een dag moet er iets gebeuren.

Ik had wel daden begaan, maar het was bij halve slechtheid gebleven, minder dan dat. De stroperige ranzigheid van het tussengebied waarin anderen er als de kippen bij zijn excuses te bedenken voor wat jij net gedaan hebt. Of niet gedaan.

,,Ken je haar goed?'' vroeg hij plotseling.

Ik keek naar een los velletje op mijn vinger.

,,Wat is goed?'' zei ik.

Zijn onderlip was ruw. Misschien van het zoenen.

Hij duwde zijn stoel naar achter, en opende bier. Er scheen haast bij te zijn. Ik liep één fles achter op hem, ik wilde me niet laten kennen.

,,Jullie gingen vaak naar de film, niet?''

Hij had een eenlettergrepige naam. Hoeveel eenlettergrepige namen waren er?

,,De film, eten, het gebruikelijke kattenkwaad'', zei ik.

,,Kattenkwaad.''

Ik zette het flesje aan mijn mond en nam een te grote slok. Bier stroomde over mijn kin. In een hoek van de kamer stond een wieg. Een vooroorlogse.

,,Verliefdheid'', zei ik, ,,heeft niets met de werkelijkheid te maken, het is allemaal projectie.''

Hij stond op.

Ook de koelkast stond in de woonkamer. Er zat een foto opgeplakt van iemand die ik niet kende. Hij kwam terug met een mes en een stuk worst.

Hij sneed zoals hij praatte.

,,Heb je nog meer adviezen voor me?''

Ik hoorde geen sarcasme in zijn stem, maar ik zag het op zijn gezicht, in dikke lagen was het erop geschilderd. Ik besloot het te negeren.

,,Je woont mooi.'' En wijzend op de worst: ,,Is het varken?''

Hij kauwde.

,,Het is Italiaanse worst'', zei hij, ,,van Balducci's.''

Wie slecht wilde zijn, zocht niets anders dan de werkelijkheid. Het goede was me te fictief, net als mijn eigen verhalen, net als de hele literatuur. Alles bij voorbaat geëxcuseerd.

Vergiffenis is het toppunt van onverschilligheid.

Noch wilde ik vergeven, noch wilde ik vergeven worden.

,,Je schrijft over sport.'' Ik vroeg niet, ik constateerde, en ik veegde bier van mijn kin.

,,Vroeger schreef ik'', zei hij, ,,nu coördineer ik. En jij?''

Ik keek naar zijn droge onderlip, zijn donkere ogen, de lege flessen en nam een stuk worst.

,,Hebben jullie eigenlijk veel tegen elkaar te zeggen?'' vroeg ik.

Mijn stem klonk zangerig.

Hij speelde met de sleutelhanger.

,,Niet veel'', zei hij, ,,moet dat?''

Mijn mond smaakte naar metaal. Ik schudde mijn hoofd.

Iemand had me geschreven `je stukken in de krant worden steeds ranziger'.

Je eigen ranzigheid blijft onzichtbaar, als je geconcentreerd bent op andere dingen tenminste.

Hij keek op zijn horloge.

,,Je hebt haar toch niet per ongeluk hier ergens opgesloten'', zei ik lachend.

Ik keek om me heen. De kale muren, de potten verf, de opgerolde posters, een koelkast, een wieg.

Hij opende het bier nu met zijn handen. Ook onweer is muziek.

,,Je moet niet op verhalen van anderen vertrouwen'', zei hij langzaam, ,,je moet het zelf uitproberen.''

Een sleutel werd in het slot gestoken.

Ik geloof dat we allebei op wilden staan, maar we bleven allebei zitten.

Een oranje regenjas met capuchon kwam binnen.

De regenjas werd uitgetrokken.

Als eerste zag ik de buik. Een gigantische buik.

Er zat van alles aan die buik vast dat ook gigantisch was, maar de buik overheerste.

Drie kussen, en de vraag: ,,Hoe vind je het hier?''

Uit een plastic zak kwamen pakken cornflakes. Maar ook schoonmaakazijn en olijfolie.

,,Hoe vind je hem?'' fluisterde ze in mijn oor.

Als het bij woorden bleef, bleef het bij kattenkwaad. Daar kon je een zomer mee vullen, misschien twee, maar geen leven.

,,Heel aardig'', fluisterde ik terug, ,,vooral ook heel mooi, maar hoe heet hij?''

,,Gabe'', zei ze.

Ze had het te druk om te vragen of mijn vergeetachtigheid soms desinteresse was.

Gabe zelf zat nog altijd aan tafel, met de sleutelhanger.

,,Praten jullie maar even bij'', zei hij, ,,jullie hebben elkaar lang niet gezien.''

Een fles peut kwam uit de boodschappentas.

Vier flessen cola.

,,Gabe heeft vandaag de kinderkamer geverfd'', zei ze.

We keken naar Gabe en toen naar de kinderkamer.

,,Kun je me 100 dollar lenen?'' vroeg ze in het Nederlands terwijl ze verderging met het uitpakken van de tas.

Ik keek naar de peut, naar Gabe en toen weer naar de kinderkamer.

,,Nu?'' vroeg ik in het Nederlands.

,,Jullie taal is mooi'', zei Gabe, ,,net Arabisch.''

Hij kwam naar me toe en overhandigde me een fles bier.

Hij lachte, alsof hem iets grappigs te binnen was geschoten. Ik rook worst.

,,Ja nu'', zei ze.

Gabe lachte nog steeds.

,,Ik heb zelf niet veel'', zei ik in mijn moedertaal, ,,ik probeer een beetje rustig aan te doen met het geld.''

Anderen probeerden rustig aan te doen met de drank, ik met het geld.

,,Wat je hebt'', zei ze, ,,wat je kan missen. We zitten even krap door alle medicijnen.''

Ik zocht in mijn zakken.

De werkelijkheid was me door de vingers geglipt, als zand.

Als je haar terugvond, was dat een ontdekking, of een uitvinding?

,,We moeten met zijn drieën eens naar het park'', zei Gabe.

Hij legde zijn hand vriendschappelijk op mijn schouder, maar mijn aandacht werd nu volledig in beslag genomen door die ongelooflijke buik.

,,Wanneer?'' vroeg ik.