Het beest heeft het weer gedaan

Wie was Richard Nixon en waarom zegt iedereen zulke verschrikkelijke dingen over hem? Anthony Summers zette alle schandalen, wangedrag en misstappen van de Watergate-president op een rijtje. Een boek met veel hitte, maar weinig licht.

Bezitten de archieven van de geheime dienst van de voormalige Sovjet-Unie nieuwe Nixon-tapes? KGB-agenten zouden in de zomer van 1974, tijdens het laatste bezoek van de Amerikaanse president aan zijn Sovjet-collega Leonid Brezjnev, hun slag hebben geslagen. Richard Nixon – beneveld, apathisch door het slikken van pillen tegen slapeloosheid – was volgens onderzoeksjournalist Anthony Summers in de Sovjet-Unie volledig van slag. Niet gehinderd door het vermoeden dat zijn hotelkamer was voorzien van afluisterapparatuur, liet hij zijn gemoed de vrije loop. Hij praatte honderduit, tegen gasten en in zichzelf. `De laatste Nixon-bandjes', concludeert Summers in The Arrogance of Power, The Secret World of Richard Nixon, `zouden wel eens niet uit het Witte Huis kunnen komen, maar zijn mogelijk opgeslagen in de archieven van de Russische geheime dienst.'

`Zouden' en `mogelijk': bewijzen dat de bandjes bestaan en dat de gesprekken of de monologen van Nixon daadwerkelijk werden afgeluisterd heeft Summers niet. Maar de hypothese was te prikkelend om niet aan het papier toe te vertrouwen, en kan met een beetje goede wil doorgaan voor een `onthulling', de derde in het laatste hoofdstuk van Summers' boek.

Nixon was in de nadagen van zijn presidentschap opvallend reislustig. Vlak voor de top in Moskou bracht hij een bliksembezoek aan het Midden-Oosten. Tussendoor was hij kort in Oostenrijk en België. Het was een amechtig staaltje van impeachment-diplomacy: een tot mislukken gedoemde poging om uit de klauwen te blijven van het Watergate-spook. Summers suggereert dat daarnaast een ander motief aan Nixons reislust ten grondslag lag: hij zou een doodswens hebben gehad. In Egypte was zijn gedrag roekeloos. `Hij stortte zich in de menigte en reed in open auto`s in een van de gevaarlijkste, minst voorspelbare regio's van de wereld', schrijft Summers, die vervolgens een voormalig geheim agent uit Nixons entourage citeert: `Het beschermen van een president die zichzelf om zeep wil helpen is onbegonnen werk.' Onthulling nummer twee. `Ik dacht', zou Nixon later tegen vertrouweling en psychotherapeut Arnold Hutschnecker hebben gezegd, `dat ik zou worden begraven in de schaduw van de! piramiden.' Onthulling nummer drie.

Geheime wereld

Het lag misschien in de lijn der verwachting dat Anthony Summers, auteur van spraakmakende boeken over filmster Marilyn Monroe, ex-directeur van de FBI J. Edgar Hoover en voormalig president John Kennedy, zich op `de geheime wereld' van Richard Nixon zou storten. Summers had bovendien de wind mee: met enige regelmaat zijn de afgelopen jaren documenten en tapes openbaar gemaakt die betrekking hebben op Nixon. Hij was volgens voormalig tekstschrijver William Safire `een memo-man'; biografen doen er hun voordeel mee.

Summers heeft overigens maar spaarzaam gebruik gemaakt van de onlangs vrijgegeven documenten en cassettebandjes. Zijn boek steunt in belangrijke mate op de `ruim duizend' mannen en vrouwen die hij heeft geïnterviewd. Het lezen van boeken en artikelen over Nixon liet hij bovendien over aan zijn onderzoeksteam, dat relevante passages blijkbaar aan hem voorlegde. Zo kon het project in het relatief vlotte tempo van vijf jaar worden afgerond. De opdracht die Summers zichzelf en zijn team stelde was zonder twijfel de voorpagina's te halen. Daarin is hij geslaagd, blijkens de krantenberichten toen zijn boek werd gepubliceerd. We lazen dat Nixon zijn vrouw Pat zou hebben geslagen, een psychotherapeut bezocht, overmatig dronk, pillen slikte om zijn depressies te beteugelen en dat voormalig minister van defensie James Schlesinger hem in de weken voor zijn aftreden ontoerekeningsvatbaar achtte en de legerleiding opdracht gaf mogelijke orders van de president te negeren.

Dat is nog maar een selectie uit de kleine en grote schandalen in The Arrogance of Power. De `duistere Nixon' die zich heeft geopenbaard aan Summers en zijn team was sinds de jaren zestig ook impotent (of bij tijd en wijle misschien ook niet), had mogelijk een homoseksuele verhouding met zijn vertrouweling Bebe Rebozo (of was het toch vriendschap?), had geheime bankrekeningen op een Caraïbisch eiland en in Zwitserland (hoewel het definitieve bewijs daarvoor lastig valt te leveren); en had wellicht een verhouding met de receptioniste Marianna Liu, die hij in de jaren zestig in Hongkong ontmoette en die, na Nixons dood in 1994, aan zijn graf is gesignaleerd.

Ook lezen we dat Nixon begin jaren zestig wel aandrong op een invasie van Cuba, maar daar eerder zelf als vice-president onder Dwight Eisenhower om electorale redenen van afzag; dat hij er in 1962 van op de hoogte was dat hij werd afgeluisterd door minister van justitie Robert Kennedy, maar dit niet openbaar wilde maken omdat de Kennedy's te populair waren; dat hij in 1968 als presidentskandidaat onder één hoedje speelde met de Zuid-Vietnamese regering om de vredesbesprekingen in Parijs te torpederen, zodat zijn Democratische tegenstander Johnson zich niet als vredestichter aan de bevolking kon presenteren. Enzovoort, enzovoort.

Intrigant

Gaan we alleen af op de kwantiteit van het aangedragen materiaal, dan is The Arrogance of Power ongetwijfeld een hoogtepunt in de onderzoeksjournalistiek. Summers waagt zich alleen niet aan de vraag naar de identiteit van Deep Throat – de Watergate-bron van het onderzoeksduo Woodward en Bernstein van de Washington Post. Volgens voormalig Nixon-advocaat Leonard Garment, in zijn recente In Search of Deep Throat, was de (onbekende) Republikeinse campagnestrateeg John Sears het beroemde `lek'. Sears heeft ontkend; Bob Woodward van de Washington Post is hem bijgevallen. Sears is in elk geval wel degene die Summers op het spoor zette van de mogelijke mishandeling van Pat Nixon door haar echtgenoot na diens nederlaag bij de gouverneursverkiezingen van Californië. De beide dochters van Nixon, Julie en Tricia, hebben ook dat bericht weersproken.

De boeken van Summers, Garment en recentelijk van Woodward zelf (Shadow, 1999) bewijzen de blijvende aantrekkingskracht van Nixon en Watergate. Die is natuurlijk begrijpelijk. Nixon was president in een turbulente tijd, en Watergate een schandaal van zwaar kaliber, dat Amerika in een constitutionele crisis dompelde. Voor biografen en historici dreigt het gevaar dat Watergate wordt gezien als de onvermijdelijke culminatie van een leven en een presidentschap dat wel in schande móest eindigen. Dat is onmiskenbaar de visie van Summers. Wat zich vóór Watergate afspeelde was niet meer dan de opmaat naar het schandaal. Nixon maakte in deze opvatting geen noemenswaardige persoonlijke ontwikkeling door. Hij was aan het begin van zijn politieke carrière dezelfde man als in 1974 bij zijn aftreden. Een intrigant, een dwangmatige leugenaar, een machtswellusteling en een man die leed aan emotionele bloedarmoede. Het is de Nixon-mythe van de jaren zestig en zev! entig. Zo is hij vereeuwigd door Oliver Stone in diens film `Nixon', en onlangs nog als `The Night Creature' in Joe Eszterhas' politieke satire American Rhapsody.

Echt nieuw zijn veel van Summers' `onthullingen' dan ook niet. Het bestaan van Nixons psychotherapeut was bekend. De mentale instabiliteit van de president in zijn nadagen werd al uitvoerig beschreven in The Final Days van Woodward en Bernstein (1975). Summers is ook niet de eerste die concludeert dat Nixon zijn onzekerheid probeerde te verbloemen met stoer taalgebruik. De president was, schreef William Safire in Before the Fall (1975), `ervan overtuigd dat je alleen kreeg waar je recht op had als je er voor vocht. En hij wist nooit zeker wanneer hij de winst op zak had'. Henry Kissinger meldt in zijn memoires dat Nixon er ook zeker niet op rekende dat al zijn bevelen werden uitgevoerd. Het beeld dat Summers van Nixon schetst is dus misschien niet onjuist, maar in zijn algemeenheid niet verrassend.

Vietnam

Vanuit historisch oogpunt bezien interessant is Summers' onderbouwing van de aanhoudende berichten dat het Nixon-kamp vóór de verkiezingen van 1968 de vredesbesprekingen van de regering-Johnson inzake Vietnam ondermijnde. Aan de hand van vrijgegeven documenten en gesprekken reconstrueert Summers hoe Nixon via geheime kanalen (Anna Chennault, de Aziatische weduwe van een oorlogsheld) de Zuid-Vietnamese regering Thieu ervan wist te weerhouden in Parijs aan de onderhandelingstafel te verschijnen. Ze dachten betere zaken te kunnen doen met Nixon, wanneer die eenmaal was gekozen. Deze gegevens zijn overigens al te boek gesteld door oud-minister van defensie Clark Clifford, in zijn memoires Councel to the President (1991).

Het was een ontoelaatbare inmenging in presidentiële diplomatie, concludeert Summers, met belangrijke politieke winst voor Nixon. Bosnië-onderhandelaar (en democraat) Richard Holbrooke, die in Parijs als junior-diplomaat aanwezig was en later meewerkte aan het boek van Clifford, noemt Nixons bemoeienis met de vredesbesprekingen `onpatriottisch' en `onwettig'. De Zuid-Vietnamezen kwamen overigens van een koude kermis thuis, want Nixon werd de president die de Amerikaanse troepen terugtrok en de oorlog `Vietnamiseerde'.

De methode die Summers in zijn boek hanteert laat helaas veel te wensen over. Iedereen die iets over Nixon te `onthullen' heeft, krijgt de ruimte, evenals degenen die deze onthullingen tegenspreken. Wie er gelijk heeft, blijft te vaak in het midden. Sporen die doodlopen worden desondanks breed uitgemeten, als voorbeelden van taaie onderzoeksjournalistiek in wording en als `bewijs' dat waar rook is, ook vuur is geweest.

In een enkel geval schiet Summers de lezer te hulp. Zo poneert hij in het hoofdstuk over de ontmaskering van Alger Hiss als communist en Sovjet-spion de volgende stelling: `Zou de Richard Nixon die als president samenzweerde en aan de basis stond van smerige trucs, als jonge geestdriftige parlementariër bereid zijn geweest een complot te smeden tegen Alger Hiss? Dit scenario lijkt waarschijnlijk, als, wat geheel mogelijk lijkt, hem op vertrouwelijke maar gezaghebbende wijze al was verzekerd dat volgens onberispelijke bronnen die niet naar buiten konden treden, Hiss daadwerkelijk schuldig was.'

Nixon was volgens Summers een monster dat zich liegend en bedriegend een pad naar de top vocht en zijn duistere natuur verdoofde met drank en pillen. Hij aanbad zijn vrome moeder maar had het karakter van zijn brute, wraakzuchtige en mislukte vader. Pas aan het einde van zijn boek slaagt Summers erin een positieve zin aan zijn onderwerp te wijden. Enkele weken voor zijn aftreden vond de president de tijd om zijn droefenis te uiten over de dood van Dizzy Dean, een beroemde honkballer. Dean stond bekend om zijn buitenissige gedrag op het veld en zijn kleurrijke taalgebruik daarbuiten. Hij was katoenplukker en analfabeet, voordat hij als sporter en later commentator carrière maakte. Een man naar Nixons hart.

Anthony Summers: The Arrogance of Power. The Secret World of Richard Nixon. Viking, 640 blz. ƒ82,65