Heeft een dialoog nog enige zin?

Wie niet in de rooms-katholieke traditie is opgevoed, zal er soms moeite mee hebben de wegen van het Vaticaan te doorgronden (sommige rooms-katholieken trouwens misschien ook). Hoe komen daar bijvoorbeeld beslissingen tot stand? Zo is het nog altijd duister waarom, in 1978, toen de Koude Oorlog nog woedde, de keus viel op juist een Poolse paus (de eerste niet-Italiaan sinds 1523). Een eventuele Russische reactie zal toch wel in de besluitvorming zijn verdisconteerd?

Ook onder de regering van deze paus is niet alles even duidelijk – althans voor de buitenstaander. Zo gaf hij vier weken geleden twee miljoen jongeren uit 160 landen, die in Rome samengestroomd waren, een zeer radicale boodschap mee: geen compromissen, geen discriminatie, geen doodstraf, maar vergeving, verzoening, verdraagzaamheid en godsdienstvrijheid.

Maar enkele weken later verklaarde hij een van zijn voorgangers zalig die, na een korte liberale periode, dertig jaar lang een zeer conservatief bewind voerde: Pius IX (1846-1878), die zelfs niet van antisemitische smetten vrij was (de joodse gemeenschap was althans ontzet over die zaligverklaring). Was dit om de gelijktijdige zaligverklaring van Johannes XXIII (1958-1963) te compenseren, die doorging voor een liberale, verzoeningsgezinde paus?

Zo ja, wat voor waarde moet dan gehecht worden aan de oproep tot de jeugd geen compromissen en geen discriminatie te aanvaarden? Of is de paus, ondanks zijn onfeilbaarheid, niet almachtig en moet hij altijd rekening houden met de verschillende stromingen in zijn kerk, ja in zijn directe omgeving? Is het denkbaar dat een conservatieve vleugel in het Vaticaan, die Johannes XXIII zijn aggiornamento nog steeds niet vergeven kan, geapaiseerd moest worden?

Terwijl deze vragen ons nog knelden, kwam er vorige week een nieuwe boodschap uit het Vaticaan, nu van de Congregatie voor de Geloofsleer, waarvan de kardinaal Ratzinger, een Duitser, de prefect is. In die verklaring wordt met klem eraan herinnerd dat er maar één kerk is, en dat is de kerk van Rome. Andere kerken zijn slechts `kerkelijke gemeenschappen', geen `kerken in eigenlijke zin'.

De orthodoxe kerken kennen tenminste nog de apostolische opvolging en de `geldige eucharistie'. De protestantse kerken doen dat niet en staan dus nog een trede lager. Om van de niet-christelijke gemeenschappen maar te zwijgen, die Christus niet erkennen als de `enige bemiddelaar tussen God en de mensen'. Hun geloof is niet het ware en verdient slechts de naam van de geloofsovertuiging.

Zeker, deze doctrine is niet nieuw, maar haar opnieuw en met zoveel nadruk te formuleren – en zulks ongetwijfeld met pauselijke zegen – maakt de dialoog met andere kerken en geloofsgemeenschappen wel moeilijk. Die worden, met zoveel woorden, niet als gelijken beschouwd. Opnieuw kan de vraag gesteld worden naar de betekenis van het pauselijke radicalisme van vier weken geleden, als ook naar die van zijn bezoek aan de lutherse kerk in Rome en aan de Klaagmuur in Jeruzalem enige tijd geleden.

Ongetwijfeld is er een formule denkbaar – misschien bestaat zij al – waaronder deze tegenstrijdigheden opgelost, althans tot schijn gereduceerd zijn. De vraag is echter in hoeverre zo'n formule overtuigend is voor degenen die niet in de rooms-katholieke traditie leven. Is zij dat niet, dan heeft de oecumenische dialoog geen enkele zin – althans voorzover deze het herstel van de christelijke eenheid beoogt.

We mogen benieuwd zijn naar de reacties van de protestantse kerken, die zich gedegradeerd zien tot `kerkelijke genootschappen'. De Wereldbond van Hervormde en Gereformeerde Kerken vraagt zich af hoe de dialoog met de rooms-katholieke kerk voortgezet kan worden, en de voorzitter van de Evangelische Kerk in Duitsland schrijft: ,,De seinen uit Rome staan op stilstand.''

Maar ook zijn er die onmiddellijk roepen dat de soep niet zo heet gegeten wordt als zij wordt opgediend. Volgens de voorzitter van de Raad van Kerken hoeft het document uit Rome geen terugslag te hebben op de oecumene in Nederland. In feite neemt zo'n tegemoetkomende houding – die de Geneefse Wereldraad van Kerken in de Koude Oorlog ook tegenover Moskou aannam – degeen met wie zij de dialoog wil niet au sérieux.

Maar de Congregatie voor de Geloofsleer moet wel degelijk ernstig genomen worden. Het is een grove onderschatting van haar ernst te menen dat zo'n document alleen maar diplomatieke waarde heeft of slechts voor intern gebruik bedoeld is; kortom, dat gesprekspartners het, na enige passen en meten, altijd wel op een akkoordje zullen kunnen gooien. Of is de behoefte aan christelijke eenheid zo sterk dat geen concessie te gering is?

Ouderen onder ons herinneren zich hoe, in 1964, kardinaal Alfrink prinses Irene, vóór haar overgang tot het rooms-katholieke geloof en haar huwelijk met prins Carlos Hugo, heimelijk had herdoopt – en dat terwijl de rooms-katholieke kerk met de hervormde kerk een afspraak had gemaakt elkaars doop over en weer te erkennen. Natuurlijk was de hervormde kerk kwaad, maar in plaats van de kardinaal op het matje te roepen, ging zij deemoedig naar Utrecht om daar de kerkvorst om uitleg te vragen, daarmee in feite Rome een préséance toekennend.

Maar dit is een kwestie tussen kerken onderling. Geheel los daarvan moet de objectieve waarnemer tot de conclusie komen dat kardinaal Ratzinger – want hij is natuurlijk de inspirator van de laatste verklaring van Rome – gelijk heeft: een kerk die niet op het standpunt staat dat zij de ware kerk is – en dus de andere kerken minder zijn – en dat de waarheid nooit een kwestie kan zijn van een geven en nemen tussen andersgelovenden, zo'n kerk is geen knip voor de neus waard. Het geloof in eigen waarheid is de reden van bestaan van elke kerk.