EU-kandidaten zijn ongerust: `het duurt maar en duurt maar'

De kwestie-Oostenrijk, de tegenvallende appreciatie van de euro, de moeizame herziening van het Verdrag van Amsterdam – het leidt allemaal af van de aandacht die de beloofde uitbreiding van de Europese Unie zo hard nodig heeft, vinden de kandidaat-EU-landen.

Bij de twaalf kandidaat-leden van de Europese Unie groeit de bezorgdheid over de vraag wanneer ze eindelijk kunnen toetreden. Men hervormt en hervormt, men lijdt en ziet af, jaar in, jaar uit, maar de datum van de toetreding blijft maar in de lucht hangen. De onzekerheid en de ongerustheid worden nog verder opgedreven door plotselinge discussies over referenda over de uitbreiding.

Vraag het de Tsjechische onderhandelaar Petr Kubernat en hij antwoordt: ,,We hebben grote behoefte aan een concreet scenario met een concreet tijdpad. Dat biedt houvast. Nu praten we alleen maar. Van onderhandelingen is geen sprake. Het duurt maar, en het duurt maar.''

Vraag het de Poolse onderhandelaar Jan Kulakowski en hij zegt: ,,We willen op 1 januari 2003 klaar zijn. Volledige en volwaardige deelname dat is onze inzet, dus gelijke behandeling, ook van onze boeren, al is daar op de begroting van de EU tot het jaar 2006 niet genoeg geld voor uitgetrokken.''

Vraag het de Hongaarse onderhandelaar István Csejtei en hij zegt: ,,Het draait om drie dingen: is de EU van de vijftien klaar?, zijn de kandidaten klaar?, en zijn de onderhandelingen naar wederzijdse tevredenheid afgerond? Dat is in alle drie gevallen uiteindelijk een kwestie van politieke wil.''

Tijd, geld en politieke wil dat zijn de sleutelbegrippen in de oostwaartse uitbreiding van de EU. Sinds 1989 wordt er over gesproken, vooral in termen van `historische noodzaak' en `uitgelezen kans'. In december vorig jaar, op de Eurotop in Helsinki, besloten de vijftien `oude' EU-landen dat de toetreding van twaalf nieuwe lidstaten in één grote operatie moest opgaan, ongeacht de spectaculaire verschillen in uitgangspositie. Op een soort scorebord ging Brussel hun aanpassingen aan het EU-regime bijhouden. Alleen kandidaat-lid Turkije mocht officieel aan deze race niet meedoen.

De laatste tijd valt echter onbehagen (bij de `vijftien') en bezorgdheid (bij de `twaalf') te bespeuren, omdat de vraag rijst of men in Helsinki niet wat te veel hooi op de vork heeft genomen, en of de uitbreiding, in de woorden van de eerstverantwoordelijke Europees commissaris Günther Verheugen, niet te veel een onderonsje van de gevestigde politieke elites dreigt te worden zonder voldoende steun van de bevolking.

,,De uitbreidingsplannen zitten in een kritieke fase'', zegt Vygaudas Ušackas, eerste man op de ambassade van Litouwen in Brussel. Op zijn initiatief waren deze week in Vilnius voor het eerst de onderhandelaars van de twaalf kandidaat-lidstaten bijeen. Om ervaringen uit te wisselen, en om gezamenlijk druk op de ketel te houden.

Dat is nodig, vinden ze zonder uitzondering, want de EU is nogal in zichzelf gekeerd geraakt. De kwestie-Oostenrijk, de moeizame besprekingen over verbetering van de eigen bestuurlijke slagvaardigheid (in casu de herziening van het Verdrag van Amsterdam op de Europese top in Nice in december) en de toenemende nervositeit over de lage koers van de gemeenschappelijke munt het leidt allemaal de aandacht af die het Megaproject Uitbreiding zo hard nodig heeft. ,,Het is psychologisch van groot belang dat we het momentum niet verliezen'', aldus Ušackas. Maar hij beseft dat het tij er de komende jaren waarschijnlijk niet beter op wordt met nationale verkiezingen in het vooruitzicht in het Europese supertrio Groot-Brittannië (2001), Duitsland (2002) en Frankrijk (ook 2002).

Het gevaar is niet denkbeeldig, licht de Poolse onderhandelaar Kulakowski toe, dat diverse kandidaat-lidstaten over anderhalf, twee jaar aan de Brusselse toelatingseisen voldoen, terwijl de EU van de vijftien dan nog niet klaar is om hen op te nemen omdat men nog zit te delibreren over een doelmatiger werkwijze. ,,Dat zou slecht zijn voor het wederzijdse vertrouwen dat onontbeerlijk is in zo'n ingewikkeld proces als de uitbreiding.'' Op papier is het ,,een ideale combinatie'', zegt zijn Hongaarse collega Csejtei. ,,Als West- en Oost-Europa het tempo er in houden kunnen ze allebei alleen maar winnen bij verdere politieke en economische integratie.''

Wat de vorm betreft zit het met het Oost-Europese aanpassingsvermogen wel goed. De bijeenkomst in Vilnius begon woensdagavond naar beproefd Brussels recept met een `werkdiner' en werd gisterenmiddag, al even geroutineerd, afgesloten met een `gezamenlijke verklaring'. Daarin staat onder meer: ,,De EU-kandidaat-lidstaten zijn ervan overtuigd dat de onderhandelingen over toetreding met verschillende kandidaat-lidstaten in het jaar 2001 kunnen worden afgerond en zij spreken de verwachting uit dat deze mogelijkheid wordt opgenomen in het toetredingsscenario dat op de Europese top in Nice in december zal worden aanvaard''.

,,Dat kunnen ze wel vergeten'', reageert Eneko Landaburu opgewekt. Hij is directeur-generaal Uitbreiding op het EU-hoofdkwartier en in Vilnius present als vertegenwoordiger van de Europese Commissie. ,,We willen in dit stadium helemaal geen discussie over data. Laten we ons concentreren op de voorwaarden die vervuld moeten worden voordat er überhaupt van uitbreiding sprake kan zijn.'' En hij herhaalt de enige datum die de kandidaten tot dusver in Brussel hebben losgepeuterd: ,,De uitbreiding begint niet later dan in 2005.''

Landaburu doelde met zijn reactie niet alleen op het belang van het welslagen van `Nice', maar ook op de drievoudige transformatie politiek, economisch en institutioneel – die Brussel van de Oost- en Midden-Europese landen verlangt. In november komt daarover de nieuwe `voortgangsrapportage' uit en dan zal blijken of met name Hongarije, Slovenië, Slowakije en de Tsjechische Republiek echt zo goed op koers liggen als zij zelf beweren.

Maar zelfs als er zich een heuse kopgroep aftekent (met naar verwachting ook Cyprus), dan hoeft die zich nog geen illusie te maken over versnelde toetreding, legt Dieter Thiel uit. Hij houdt in opdracht van de Europese Commissie vanuit zijn standplaats Vilnius nauwlettend in de gaten of Litouwen het EU-huiswerk wel goed doet. ,,Vóór 2005 is niet realistisch'', zegt Thiel. De Commissie heeft becijferd dat er jaarlijks 12 miljard euro extra nodig is als Estland, Hongarije, Polen, Slovenië en Tsjechië toetreden bij ongewijzigd EU-landbouwbeleid. ,,Dat geld is er niet en de bereidheid om het beschikbare budget anders te verdelen is, zacht uitgedrukt, niet groot.''

Bovendien, weet Thiel, moet met name in de agrarische sector, in de energievoorziening en de milieusanering in alle kandidaat-landen nog zó gigantisch veel gebeuren, dat je het onmogelijk met alleen geld kunt oplossen. ,,Dat vergt sowieso heel veel tijd.'' Billijke overgangstermijnen, zo voorspelt hij dan ook, zullen nog een populair smeermiddel worden in de onderhandelingen tussen Brussel en de kandidaten. ,,Bij wurgcontracten heeft niemand baat. Dan riskeer je ook nog dat je de ruime steun van de bevolking kwijtraakt waarop de EU-toetreding in de kandidaat-landen nu nog kan rekenen.''