Een Droste-dissertatie

Het Droste-effect blijft intrigeren. Men kijkt op de snelweg geboeid naar een vrachtauto met een identieke vrachtauto achterop, een vliegtuig met als lading de vliegtuigvleugel van hetzelfde type roept onmiddellijk het beeld op van een vliegtuig dat een heel, identiek toestel vervoert, in de wereld van de tijdschriften intrigeerde een tijdlang het blad dat De recensent der recensenten heette, en nu is er de even intrigerende dissertatie Hora est van de huisarts G.J. Bremer, een proefschrift over proefschriften van huisartsen uit de jaren 1900 tot 1995.

Ik aarzel. Op welke plank in de onderkast zal ik Bremers boek straks zetten? Bij de medische afdeling, naast Drassards Natuurgeneeskunde voor kleine huisdieren en Dr. Berndts Verlegenheid, beschroomdheid, vrees, verwarring en de middelen tot genezing?

Of tussen Droste-titels als Onze boomen door Dr. K.H. Boom en Hendrik Bloemhofs Flora voor Dames?

Er zitten emancipatorische aspecten aan Bremers Hora est. De huisarts is lang beschouwd als een practicus. Wetenschappelijk geschoold weliswaar, maar toch meer doende met keisnijden, verbandaanleg en doorverwijzen dan met de medische theorievorming. Huisartsgeneeskunde is pas sinds vijfentwintig jaar een wetenschappelijke discipline. Bremer kan zich moeilijk voorstellen waarom dat zo laat is gebeurd zegt hij, maar vertelt twee alinea's verder dat in het Maandblad van de Nederlandsche Vereeniging van huisartsen (let op de bescheiden onderkast-h van `huisartsen'), dat verscheen in de jaren 1926-1940, geen enkele bijdrage over wetenschappelijk onderzoek voorkomt. Zo houdt de praktijkman zichzelf buiten de theorie. Dat Bremer ons meldt dat in de periode 1900-1979 slechts drie huisartsen per jaar promoveerden, verbaast ons nauwelijks.

Bremer heeft nogal wat moeite moeten doen om de vierhonderd, door huisartsen geschreven dissertaties bij elkaar te krijgen, schrijft hij. Een kwestie van inleidingen lezen: `Voortdurend was de vraag: wanneer is een dissertatie een dissertatie geschreven door een huisarts? Deze vraag was minder eenvoudig te beantwoorden dan in het begin leek, maar het antwoord bepaalde wel of het boek in de reeks opgenomen moest worden.'

Woorden uit de dissertatie van Bremer, die ook dissertaties in het algemeen lijken te betreffen. Helemaal rond wordt het als de promovendus de titel noemt van P. Buis' Het schrijven van een proefschrift uit 1983.

Erg vermoeiend, dat Droste-effect. Culminerend in de door G.J. Bremer genoemde, Rotterdamse hoogleraar huisartsgeneeskunde H.J. Dokter.

Wat meldt Bremer verder over de vierhonderd huisartsen-proefschriften? Hij citeert een artikel dat stelt dat het monnikenwerk dat een dissertatie nu eenmaal vergt niet ten goede van het vak komt en dat al die dissertaties bovendien weinig worden gelezen:

`Men begint als het ware iedere keer van voren af aan.'

We lezen dat de eerste vrouwelijke huisarts die promoveerde (1940) de in Katwijk praktiserende Wilhelmina Bouvé was. We struikelen verder over tabellen, staafdiagrammen en figuren en passeren titels als Van den Bergs Over den invloed van het wielrijden (1906), Kremers Zeeziekte (1921), Folmers Verslag van 1247 baringen (1923), Ten Cate's Albuminurie bij militairen (1931), Brouwers Experimenteel boezemfibrilleren (1938), M.G. Vrooms Schrik, Angst en vrees. Een psychiatrische en phaenomenologische studie naar aanleiding van vliegtuigbombardementen (1942), Doelemans De malaria-epidemie te Middelburg (1946), Beins' Misvorming en verbeelding (1948), Jongs Demonische ziekten (1959), De Ruiters Medische bijstand bij conflicten (1975).

Werken die ik graag in mijn onderkast zou bijzetten. Smakelijk zijn ook sommige van de stellingen die Bremer uit zijn onderzoeksmateriaal opdist. `Tegenwoordig gaan de goede ideeën die soms in stellingen worden geformuleerd, gewoon verloren,' zegt hij. Meteen hierop noemt hij een aantal inderdaad behartigenswaardige stellingen die voor het nageslacht bewaard moeten blijven:

– `Ten onrechte draagt een promovendus de kosten van het drukken van zijn proefschrift zelf. Deze kosten behoren als regel door de gemeenschap gedragen te worden.'

– `Elke stelling roept een eigen tegenstelling op. Stelling en tegenstelling zijn tegelijk houdbaar en onhoudbaar, ook deze.'

– `Een controversiële stelling heeft de neiging door de tijd achterhaald te worden.'

– `Bij het kennisnemen van de inhoud van een proefschrift beginnen velen met het lezen van de laatste stelling.'

Hier rijst twijfel – opnieuw heel veel Droste-plaatjesachtigheid. Lees ik wel een proefschrift? Het colofon van Hora est sticht nog meer verwarring. Ik meen er uit op te mogen maken dat Bremers boek wel degelijk een proefschrift is, maar er is ook sprake van een schijndissertatie in honderd exemplaren, die slechts titelblad, inhoud, samenvatting en auteurs-curriculum bevat. Terugbladerend vind ik in een proefschriftenlijstje bovendien dat in 1964 al een zekere Bremer is gepromoveerd op Het verwijzen.

Dissertatie, schijndissertatie, Bremers herhaalde toespelingen op Huizinga's Homo Ludens springen wel in het oog. Maar wat dit boek ook is, Bremer noemt op één van zijn pagina's een proefschrift dat me bekend voorkomt: B. Woltrings De gelijkenis van tweelingen. Ik vind het terug in mijn onderkast, een psychologische studie uit 1938, waarin onder meer aandacht wordt besteedt aan de jongens T en T', een-eiïge tweeling uit een doktersgezin, die nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, al is het achterhoofd van T' iets breder.

Hiermee laat Bremers Hora est zich door de auteur zelf slechts naar één onderkastplaats doorverwijzen. Naast de intrigerende lectuur, gevat in Woltrings Gelijkenis van tweelingen.

G.J. Bremer: Hora est. Proefschriften van huisartsen 1900-1995. Erasmus Publishing, 247 blz. ƒ59,50