Dwangmatig publiek bezit

Sinds de plotselinge dood van haar man, de dichter Herman de Coninck, is Kristien Hemmerechts stug doorgegaan met publiceren. Om te beginnen verraste ze in 1998 met het fijnzinnige Taal zonder mij, een liefdevol in memoriam voor de gestorven geliefde. Kort daarop verscheen de enigszins duistere roman De tuin der onschuldigen. Hierin was geen zweem van rouwverwerking te bespeuren, de dood was er zelfs minder aanwezig dan bij Hemmerechts gebruikelijk is. Deze roman was dan ook al voor de helft klaar toen De Coninck stierf en had als thema een andere obsessie van de Vlaamse veelschrijfster: lust, promiscuïteit en het zo sec mogelijk etaleren van vrouwelijke seksualiteit, overgoten met een licht incestueus sausje.

In een interview met het Vlaamse blad Humo zei Hemmerechts twee jaar geleden niet te weten hoe de eerste roman die ze zonder haar kritische mentor Herman de Coninck schreef zou uitpakken. ``Ik denk dat er twee mogelijkheden zijn: ofwel zal ik nu het beste schrijven dat ik ooit geschreven heb, ofwel het slechtste.' De roman waar ze het over had, De kinderen van Arthur, is geen van beide geworden: niet het hoogtepunt van haar oeuvre, maar zeker ook geen dieptepunt. De vergelijking met haar recentste fictiewerken, Margot en de engelen (1997) en De tuin der onschuldigen (1999) kan deze strak gecomponeerde coming of age-roman ruimschoots doorstaan, hij is in een aantal opzichten (helderheid, tempo, stijl) zelfs sterker.

Een overeenkomst met Margot en de engelen is de uitgesponnen aandacht voor de ontwikkeling van adolescenten, maar ook de dwingende aanwezigheid van de dood. Op het eerste gezicht zijn expliciet autobiografische invalshoeken vermeden. Zo vallen er geen dode echtgenoten te betreuren, noch aan wiegendood gestorven baby's, waarover Hemmerechts eerder in gefictionaliseerde egodocumenten schreef. Wel lopen er nabestaanden in alle soorten en maten rond die voor altijd gestempeld zijn door schokkende sterfgevallen. Soms figureert de dood als bevrijder, meestal ontpopt hij zich als een gemenerik die onverhoeds opduikt en diepe, nooit te genezen wonden slaat.

Behalve een jongen die zijn moeder moet vermoorden om zelf tot leven te komen, treedt in De kinderen van Arthur een moeder op die zelfmoord pleegt en haar kinderen ontredderd achterlaat. Dood, dood, dood, Hemmerechts kan het woord niet vaak genoeg op papier knallen, wellustig bijna, waarschijnlijk in de hoop het monster voor eens en altijd te bezweren. Drie vaders gaan er dood in dit boek, een broertje wordt als een kreeft levend gekookt in een teil, en er is ook nog een tweelingzusje dat een uur na de geboorte het leven laat.

Gelukkig is het niet één personage dat al deze ellende te verwerken krijgt, want aan melodrama bezondigt Hemmerechts zich niet. Nee, de verhalen over bizarre ervaringen met de dood zijn afkomstig van tien Belgische jongeren en hun begeleider Arthur Goemaere. Hij is een programmamaker die om de zeven jaar een televisiedocumentaire over deze door hem geselecteerde groep maakt onder de titel `Zeven plus'.

Arthur, en de lezers van de roman, volgen deze in 1957 geboren kinderen van 1964 tot 1985, dus van hun zevende tot hun 28ste jaar. De bedoeling van de televisiereeks is te achterhalen hoe bepalend iemands maatschappelijke achtergrond voor zijn verdere leven is. Om die reden zijn de uitverkorenen uit zeer diverse milieus geplukt: een invalide meisje met puissant rijke ouders, een joods meisje dat behalve haar ouders geen familie meer heeft, het pauperkind Chantal, de seksueel misbruikte Victor, een Roma-jongen, een zwarte jongen uit Kongo en het meisje Dora, afkomstig uit een op het oog volmaakt gezin.

Dit kansrijke ideaalkind is de vrijgevochten en fantasierijke dochter van twee kunstenaars met connecties in de omroepwereld. Zij is de hoofdpersoon, de belangrijkste van Arthurs kinderen, al was het maar omdat zij een verhouding krijgt met de vaderlijke documentairemaker en zelf een gevierd televisiepresentatrice wordt. Zij personifieert een bekend Hemmerechts-motief: dat van `leven in de openbaarheid', gekenmerkt door een dwangmatige behoefte aan exposure (ik ben beroemd dus ik besta), het vrijwillig opgeven van privacy en de karakterologische deformaties die daar het gevolg van kunnen zijn.

Dora is de vrucht van een pianiste met podiumangst en een kinderboekenschrijver die zijn dochter, met al haar dromen en angsten, herkenbaar opvoert in zijn boeken. Hij werpt daarmee niet alleen zichzelf, maar ook haar voor de leeuwen. Zijn lezers interpreteren er lustig op los. Uiteindelijk, nadat Dora's moeder een fatale sprong van een flatgebouw gemaakt heeft, komt een bekende journaliste op het idee in de krant te schrijven dat de vader/auteur ongetwijfeld een incestueus verlangen koestert voor zijn dochter. Vader en dochter durven zich vervolgens geen enkele onderlinge intimiteit meer te permitteren. Ze gedragen zich steeds verkrampter en als de vader – Dora is inmiddels al over de twintig – sterft, tobben zij en haar broer over de vraag in hoeverre pappa en zijzelf daadwerkelijk incestueuze intenties hadden en hebben.

Vinden wij het vreemd dat Dora, publiek bezit van tv-kijkend, literatuurminnend en krantenlezend Vlaanderen, zich na de dood van haar vader in de armen van iedere (liefst oudere) man werpt, omdat mensen nu eenmaal vaak de rol gaan spelen die hun door het publiek wordt gedicteerd? Nee, dat vinden we alleszins begrijpelijk, temeer daar Hemmerechts ons gedurig inpepert hoe zoiets psychologisch in zijn werk gaat. Daarmee is gelijk de vinger op de zwakke kant van deze prikkelende roman gelegd: alles wordt geëxpliciteerd, niets is toevallig, het één volgt logisch uit het ander, verrassingen zijn uitgesloten. Misschien is deze voorspelbaarheid te wijten aan de rechtlijnige structuur van het verhaal: om de zeven jaar een momentopname voorzien van flashbacks en flahforwards. Deze programmatische benadering biedt weliswaar de mogelijkheid om de veranderingen te beschrijven die de personages doormaken, maar hun karakters ontwikkelen zich even rechtlijnig in de tijd ! als de roman.

Dora en haar lotgenoten van de documentaireserie ontvangen van het leven ongeveer datgene wat ze er gezien hun achtergrond van hadden mogen verwachten, al ontpopt een lelijk eendje zich tot fotomodel en opent voor sommigen de liefde nooit vermoede perspectieven. Toch is de roman geen variant op het negentiende-eeuwse naturalisme. Hemmerechts heeft met De kinderen van Arthur ook een vorm proberen te vinden om iets te zeggen over de relatie tussen fictie en werkelijkheid. Arthur kent op den duur zoveel intieme levensfeiten van zijn televisiekinderen, dat hij het hun niet kan aandoen daar op de televisie opening van zaken over te geven. Naarmate hij meer van hen weet, moet hij meer verhullen tijdens de interview-sessies. Dus wat had moeten uitgroeien tot het summum van reality-tv, ontwikkelt zich gaandeweg tot pure fictie.

Wat is schijn, wat is werkelijkheid, hoe bepaalt de schijn de werkelijkheid en omgekeerd? Een antwoord op deze vragen blijft uit, maar wel wordt duidelijk waar we de oplossing vooral niet moeten zoeken: in als fictie gepresenteerd autobiografisch proza, of in de als realistisch voorgestelde fictie van Big Brother-achtige tv-programma's. Het is een illusie dat de essentie van mensen kan worden opgespoord door ze publiekelijk te laten leeglopen. Hoe wij in elkaar zitten, wat ons beweegt en beroert kan hooguit benaderd worden in fantasieën over onszelf, in mythologische verhalen, in literatuur.

Zo bezien is De kinderen van Arthur puur een ideeënroman. Gelukkig beschikt Hemmerechts over voldoende vakmanschap om het betoog niet het verhaal te laten overwoekeren, en dat is wat het boek redt.

Kristien Hemmerechts: De kinderen van Arthur. Atlas, 286 blz. ƒ39,90