De economie feest verder, maar wel op plateauzolen

Met de lege snelwegen en de stijgende olieprijs komen pijnlijke herinneringen aan het begin van de jaren zeventig weer boven. Wordt het nooit meer zoals het was, en is het feest van de immer groeiende welvaart over? Welnee: net als toen kan de economie nog lange tijd boven zijn macht blijven groeien.

De olieprijs stijgt, de euro keldert. Inflatie steekt de kop op. Harde acties op de weg, leeg asfalt. De koers van volksaandeel KPN is gehalveerd.

Plotseling, na een even warme als koopzieke zomer grijpt de twijfel om zich heen: gaat het bergafwaarts met de Nederlandse economie? Die vraag laat zich lastig beantwoorden: het statistisch bewijs voor de gezondheid van de economie komt in de regel pas los als zich in de realiteit al een omslag voltrokken heeft. Maar wie een diagnose zou moeten geven van de toestand van nu, zou het tegenovergestelde moeten beweren van wat in de vraag besloten ligt: als er iets op de Nederlandse economie aan te merken valt, dan is het dat het juist te goed gaat.

In de herinnering is de oliecrisis van 1973 en 1974 de opmaat voor een periode van stagnatie en zelfs achteruitgang, die pas halverwege de jaren tachtig werd gestuit. De werkelijkheid was heel anders. Zo slecht waren de jaren zeventig helemaal niet voor de burger. 1975 kenmerkte zich weliswaar door een milde `recessie', met een jaargroei van 0,2 procent. Maar gemiddeld was de economische groei in 1973 tot 1979 3 procent, met pieken van meer dan 4 procent groei in 1973, 1974 en 1976. Zelfs aan het einde van het decennium bleef de economie met ruim 2,25 procent groeien – hetzelfde als het behoedzame scenario dat twee kabinetten-Kok in de jaren negentig hanteerden. Nog in 1979 was de werkloosheid slechts 3,6 procent. Gecorrigeerd voor een definitiewijziging halverwege de jaren tachtig is dat lager dan nu.

Intussen groeiden de inkomens fors, en bleven de oplaaiende inflatie ruim vóór. Met als bij-effect dat stijgende woningprijzen, veroorzaakt door een krapte op de huizenmarkt, zonder meer konden worden gefinancierd met steeds hogere hypotheken. Hoe groot het optimisme toen was, wordt geïllustreerd met het feit dat de grote banken die hoge hypotheken juist verstrekten in de verwachting dat de ruime inkomensgroei van hun cliënten tot in lengte van jaren door zou gaan. De zogenoemde `groeihypotheek' van destijds is nog steeds berucht.

Pas in 1980 legde de tweede oliecrisis de manco's bloot van de feestelijke jaren zeventig. De groei was gefinancierd met het verzilveren van de gasbel en het aangaan van staatsschuld, het sterk gestegen aandeel van lonen in het nationaal product (de toen zo beruchte arbeidsinkomensquote) tot 95 procent had de winstgevendheid van de bedrijven tot vlak boven de grond gesnoeid – in het buitenland samengevat als de Dutch disease. De huizenmarkt bleek een luchtbel en de torenhoge inflatie (in 1975 een piek van 9,6 procent) kon enkel nog met een wurgend hoge rente worden teruggedrongen.

Gevolg was de échte recessie van begin jaren tachtig, die diep (tot 2,5 procent krimp) en lang (ruim twee jaar) was. Niet uit de jaren zeventig, maar uit begin jaren tachtig stammen de werkloosheid van bijna 10 procent en de financieringstekorten van meer dan 8 procent, waarvan het wegwerken bijna twee decennia heeft gevergd. Uit het grootscheepse snoeien van overtollig personeel in de jaren tachtig stamt het WAO-probleem.

Is de jaren-zeventig-angst die deze dagen weer rondwaart door lege of geblokkeerde straten dan niet terecht? Dat wel, maar op een andere manier dan in het collectieve geheugen gegrift staat. Net als toen lijkt de economie begonnen met boven zijn macht te groeien. Ook nu is er het fenomeen dat die hoge groei met leningen gefinancierd wordt, alleen is het ditmaal niet de staat. Nu zijn het vooral particulieren die zich in de schulden hebben gestoken: de financiering van de voorspoed is in de jaren negentig ongemerkt ook geprivatiseerd. Ook nu is er sprake van een dreigende luchtbel in de huizenprijzen. En ook nu dreigt de arbeidsinkomensquote weer op te lopen – zij het op een nog veel lager niveau van 83 procent. De Nederlandsche Bank stelde eergisteren dat de inflatie volgend jaar voor het eerst sinds 1982 stijgt tot 4 procent.

Verschillen zijn er ook: in heel Europa halen de vrachtwagenchauffeurs op dit moment met hun acties voor een lagere dieselprijs de kolen uit het vuur voor hun werkgevers. Zo'n meelevendheid met de gezondheid van het bedrijf waarvoor ze werken zou in de jaren zeventig met groot gemak onder de noemer `corporatisme' zijn geschaard – en vrijwel ondenkbaar zijn geweest.

Ook zat er destijds geen levende ziel in de middenklasse met spaargeld in aandelen (die voor inflatie gecorrigeerd in dat decennium daalden). Nu is beleggen volkssport nummer één, heeft het wel en wee van de effectenbeurs een directe invloed op het vermogen en de bestedingen van de burgers. Het opflakkerende wantrouwen tegen de rol van de grote oliemaatschappijen – ook een echo uit de jaren zeventig – wringt met het hedendaagse volkskapitalisme. Wie protesteert tegen de hoge winstmarges die Shell aan de pomp zou maken, praat tegelijkertijd zijn eigen aandelen Koninklijke Olie omlaag. En die deden het net zo lekker dit jaar, met een stijging van 19 procent sinds begin januari.

Anders dan toen is ook dat Nederland ver voorloopt op de grote Europese landen. Die zijn vorig jaar pas uit het economische dal van begin jaren negentig gekropen, dat in Nederland al vrijwel onopgemerkt passeerde. Juist omdat Nederland, door de euro, wel de verhoudingsgewijs lage rente moet voeren die bij de veel gematigder economieën van Duitsland, Frankrijk en Italië hoort, dreigt de economie hier uit de hand te lopen. Daar waarschuwde de Nederlandsche Bank woensdag ook expliciet voor. De economie heeft zichzelf aan de haren uit het moeras getrokken, zij is ook in staat zichzelf er in terug te duwen.

Externe calamiteiten, zoals een zware recessie in de Verenigde Staten, een échte oliecrisis, het sputteren van de Duitse motor of een beurskrach daargelaten staat weinig het voortduren van het feestje van de jaren negentig in de weg. Dat is – zo is tussen de regels van het rapport van de centrale bank te lezen – juist het probleem. De les van de jaren zeventig is dat het nog lange tijd veel te goed kan gaan. Net als toen loopt de economie op plateauzolen.

Dat geldt zeker voor de burger. De CAO's wijzen op een loonstijging van 4 procent. De belastinghervorming van volgend jaar stuwt de netto-inkomens op met nog eens 5 procent. Zelfs bij de vier procent inflatie die de Nederlandsche Bank verwacht resteert nog de grootste jaarlijkse koopkrachtstijging sinds de jaren zeventig. Het einde van de middag mag dan naderen in pretpark Nederland, sluitingstijd is het nog niet.