De chique dood van rijke stinkerds

Zo'n honderd vrolijk pratende mensen lopen mee in de begrafenisstoet vanaf het landgoed Nienoord in het Groningse Midwolde, naar een nabijgelegen kerkje uit de twaalfde eeuw. De lijkkoets met het lichaam van de overleden baron Haro Caspar van In en Kniphuizen rijdt voorop. Een zwarte koets volgt, met daarin de adellijke weduwe, de douairière baronesse Anna Maria Van In en Kniphuizen.

Na aankomst in de kerk begint de dominee zijn lijkrede met een citaat uit de bijbel: ,,De gedachtenisse des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maar de naam der goddelozen zal wegrotten.'' De naam van Haro Caspar zal volgens de dominee in elk geval niet wegrotten. ,,Hij behoorde tot de rechtvaardigen in den lande', declameert hij. ,,Als hoofd van zijn doorluchte familie en als bestierder van zijn huis was hij zacht en geduldig en wijs.'' In de negentiende eeuw waren de rijken nog per definitie rechtvaardig.

De reconstructie van de uitvaart van Haro Caspar van In en Kniphuizen (1770-1842) is het idee van de Stichting Oude Groninger Kerken. De stichting restaureert en beheert oude kerken in de omgeving. Afgelopen weekeinde organiseerde ze activiteiten rond kerkhoven in het kader van het thema `Kerken en de Dood'. Hiermee wil de stichting de aandacht vestigen op het vorig jaar begonnen restauratieproject van oude kerkhoven.

Voor de uitvaart heeft regionaal historicus IJnte Botke tekst en uitleg gegeven. Als rijke heer kreeg Haro Caspar zijn laatste rustplaats niet op het kerkhof, maar onder het grafmonument van zijn familie in de kerk van Midwolde. Hij was het laatste lid van de familie dat in de kerk werd begraven, omdat het eigenlijk al sinds 1827 verboden was. Het werd onhygiënisch gevonden en bovendien stonken de lijken, vandaar de uitdrukking rijke stinkerds. De adellijke families waren ontstemd, want zo'n plaatsje in de kerk, waar vaak werd gebeden en gezongen, gaf dé garantie om in de hemel te komen.

De ambitieuze Van In en Kniphuizens zagen de kerk in Midwolde ook als een middel om eeuwige roem op aarde te vergaren, zo vertelt IJnte Botke. Hij wijst naar het grote, barokke grafmonument en naar de rouwborden aan de kerkmuren. ,,Als een lid van de familie stierf, werd zo'n bord met het familiewapen en de naam van de overledene erop, aan het hek voor het huis gehangen. Na de begrafenis kreeg het bord een plaatsje in de kerk, zodat iedereen het kon zien.''

,,Kerken en kerkhoven vertellen veel over de lokale geschiedenis'', zegt Reint Wobbes, secretaris van de Stichting Oude Groninger Kerken. ,,In de negentiende eeuw zie je veel vrome grafschriften als: `Weet, o wandelaar die hier gaat, dat al het aardse ras vergaat, maar hij die Jezus mint, 't heil door hem verworven vindt.' Maar je ziet dat tegelijkertijd het atheïsme opkomt aan zinnen in een graftekst als: `Vrienden, stap gerust aan wal, hier is het eind van uw gevaren; niet het overgindse dal zal u rust noch kommer baren'.''

In de negentiende eeuw leefde men met een sterk idee van de tijdelijkheid van het leven op aarde. ,,Men aanvaardde de dood met christelijke berusting. Dat moest wel, want van een longontsteking ging men al dood'', vertelt Wobbes. ,,Er werd zelfs met de dood gedweept als een soort van verdedigingsmechanisme.''

Het waren de hoogtijdagen van de Romantiek. Rhijnvis Feith (1753-1824) dichtte: `O eenzaam Kerkhof, daar mijn dierbare Vaadren woonen/Gij kunt mij in 't verschiet de blijde ruste toonen/Ik dool langs uwen grond in deezen stillen nacht/En staar de wijkplaats aan, die mijn gebeente eens wacht.''

De rituelen rond begrafenissen veranderden in de loop van de negentiende eeuw met de professionalisering van de teraardebestelling. Uitvaartverenigingen vervingen het systeem van nabuurplicht voor de dorpelingen in geval van een begrafenis. Daarbij fungeerden familieleden en buren, naar gelang hun relatie met de overledene, als leedaanzegger, aflegger of drager van de kist.

Ook werd paal en perk gesteld aan het slempen van `leedbier' en aan de schranspartijen na de begrafenis in een nabijgelegen boerderij. Wobbes: ,,Veelal liep dat uit op vechten en dat werd gezien als een verstoring van de openbare orde.''

De bezoekers van de `begrafenis' van Haro Caspar kunnen het speciale leedbier proeven. ,,Smaakt een beetje zoetig'', constateert een bezoekster. ,,Als een bokje.''