Speelbal 1

De Raad voor de Journalistiek mag geen speelbal worden van degenen die de journalistiek aan banden willen leggen, zegt bestuurslid Groeneweg van de NVJ (NRC Handelsblad, 1 september ).

Als voorzitter van de commissie Juridische Zaken & Ethiek van het genootschap van hoofdredacteuren, heb ik geregeld overleg met justitiële vertegenwoordigers, i.c. het openbaar ministerie. Dit overleg houdt beider geesten scherp en voedt meer dan eens mijn gezonde achterdocht. Vanwege de meestentijds tegengestelde belangen staan onze opvattingen, zeker over openbaarheid, vaak diametraal tegenover elkaar. Dat is lastig, maar de discussies worden immer met open vizier gevoerd. Als het tegendeel wordt beweerd, is tenminste enige onderbouwing op haar plaats.

Moet het worden betreurd dat het OM de gebruikmaking van de openstaande microfoon aan de Raad voor de Journalistiek heeft voorgelegd? Nee. Integendeel, het verhoogt de status van de Raad dat het OM de Raad uiteindelijk om een oordeel heeft gevraagd. En, zo voeg ik daar nadrukkelijk aan toe: daar doet de uitspraak van de Raad feitelijk niets aan af, in weerwil van de vele kritische kanttekeningen die daarbij wel degelijk zijn te plaatsen.

Los daarvan: Waarom wordt toch altijd weer zo krampachtig gereageerd als de Raad voor de Journalistiek een uitspraak doet die niet ons aller instemming heeft? Waarom wordt voor de simpelste route gekozen: de Raad de rug toekeren in plaats van de degens met de Raad verder te kruisen?

De stelling dat de Raad onafhankelijk is en zonder last en ruggespraak dient te handelen, onderschrijf ik van harte. En dat geldt al evenzeer voor de mededeling van Groeneweg dat eenieder het volste recht heeft zich uit te spreken over een oordeel van de Raad. Maar ik betwijfel of de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de Raad gediend zijn met de suggestieve verdachtmakingen van deze NVJ-bestuurder.