Ook buitenlandse films in Ketelhuis

Anderhalf jaar na de oprichting van Het Ketelhuis, `vertonings- en ontmoetingscentrum voor de Nederlandse film en televisie' op het Amsterdamse Westergasfabriekterrein, zien bestuur en directie zich genoodzaakt te stoppen met de exclusief Nederlandse programmering. Het Ketelhuis zal zich tot nader order opstellen als `een dwars theater voor de betere kwaliteitsfilm', wat in de praktijk veelal de vertoning van Europese films zal betekenen.

De druppel die de emmer deed overlopen was het gisteren uitgebrachte advies van de Amsterdamse Kunstraad om geen structurele subsidie toe te kennen, omdat die alleen maar zou bijdragen aan `verdere versnippering en eilandvorming binnen de filmsector'. Het Ketelhuis had 75.000 gulden op jaarbasis aan de gemeente Amsterdam gevraagd. Ook de Raad voor Cultuur adviseerde eerder negatief over een aanvrage van 150.000 gulden. Beide instanties achtten Het Ketelhuis `geen succes', hoewel er in de eerste twaalf maanden 27.000 bezoekers waren getrokken. Vooral de documentaire André Hazes: zij gelooft in mij van John Appel was een hit in Het Ketelhuis, dat zich overigens richtte op de vertoning van Nederlandse speelfilms en documentaires die elders geen kans krijgen. Bestuur en directie zeggen het in hoge mate te betreuren dat de overheid blokkades opwerpt voor de vertoning van Nederlandse films, terwijl dezelfde overheid aanzienlijke investeringen doet in de productie. Zonder een fatsoenlijke vertoningsinfrastructuur zouden die investeringen immers weinig nut hebben.

Ook de directie van het Nederlands Film Festival in Utrecht klaagde vorige week over de discrepantie tussen de bedragen die particulieren in Nederlandse films investeren en de bereidheid van die investeerders om als sponsor op te treden bij pogingen een publiek te creëren voor Nederlandse films.