`Niemand wordt slechter van motto: volg de leider'

Dat concurrenten de marktleider volgen in hun prijsbeleid komt ook buiten de benzinemarkt voor. Van luiers tot hypotheken. Dat maakt het nog geen verboden kartel.

Jonge vaders weten het. Jonge huizenbezitters ook. Niet alleen op de benzinemarkt bepaalt een handjevol aanbieders – met een bijna eenvormig product – de prijs, bij de luiers en de hypotheken is de situatie niet anders. Alleen lijkt Shell de touwtjes wat vaster in handen te hebben dan bijvoorbeeld Rabobank of Procter & Gamble (Pampers).

Het leiderschap van Shell staat met een aandeel van meer dan 30 procent op de Nederlandse benzinemarkt buiten kijf. De dominantie is veel groter dan die van de marktleiders in andere Europese landen. En adel verplicht, zoals een blik op de internetsites van de oliemaatschappijen leert. Alleen Shell neemt de moeite om het prijsbeleid aan de benzinepomp uit te leggen. Tevens stuurt het concern bij elke prijsstijging van de brandstoffen keurig een persbericht de wereld in.

En Esso, Total, BP en de andere? Die volgen de marktleider. Een van de concurrenten van Shell verklaart in het nog niet gepubliceerde onderzoek van de Economische Controledienst (ECD) volgens een betrokken advocaat zelfs 's ochtends altijd even een servicenummer van de Shell te bellen voor de actuele prijzen. ,,Niemand klaagt, want niemand van de aanbieders wordt slechter van deze zaak'', aldus een ingewijde die eerder onderzoek heeft verricht naar mogelijke kartelvorming.

Bij het publieke debat over de dure brandstof wijst de beschuldigende vinger steeds vaker naar de oliemaatschappijen. Europees Commissaris Palacio (energie en transport) verbaasde zich er vorige week publiekelijk over dat de `kale' brandstofprijs (zonder belastingen) in Nederland hoger ligt dan in de meeste andere landen. Na de ECD speurt nu concurrentiewaakhond Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) naar mogelijke kartelvorming.

Het woord `kartel' roept beelden op van geheime ontmoetingen in rokerige bestuurskamers. In werkelijkheid is voor een harmonieuze prijsvorming helemaal geen kartel nodig op een markt, waarop slechts een gering aantal aanbieders (oligopolie) actief is. Daarbij gaat het ook nog eens om een homogeen product: benzineproducenten kunnen alleen via zegeltjes en handdoeken onderscheidend zijn, want wie gelooft er nog in `een tijger in de tank'? Als op zo'n markt de leider beweegt, bewegen de anderen mee.

De hypotheekmarkt vertoont dezelfde kenmerken. Grote aanbieders als Rabobank en ABN Amro bepalen op grond van de lange rente hun hypotheektarieven. Wordt het tijd voor een aanpassing van de rente, dan zendt een van de grote bedrijven een persbericht de wereld in. Soms nog dezelfde dag volgt de concurrentie met een vergelijkbare verhoging of verlaging. Het is niet voor niets dat directeur-generaal A.W. Kist van de NMa al eens heeft gezegd scherp te letten op de bankactiviteiten. Ook een markt die grotendeels in handen is van de vier grootste spelers.

Het ligt in de natuur van ondernemingen om te streven naar een dergelijke dominantie. Behalve de veelgenoemde schaalvoordelen is het verzwegen motief van overnames de `marktmacht' die ontstaat. ,,Waarom zeggen grote concerns zoals Unilever of Procter & Gamble dat ze in een markt de nummer een of twee willen worden of anders uit die markt stappen? Dat is omdat de marktleiders aan price setting kunnen doen'', zegt een consultant.

Cynisch genoeg is het grootste slachtoffer van de hoge brandstofprijzen, de transportsector, bijzonder versnipperd. Door het ontbreken van dominante partijen – en een lage toetredingsdrempel – vechten de bedrijven elkaar de branche uit.

De marktmacht van Shell op een oligopolische markt is volgens deskundigen niet los te zien van de relatief hoge prijzen in Nederland. Terwijl in het Verenigd Koninkrijk de distributiemarge (inclusief marketing, milieumaatregelen en kortingsregelingen) minder dan een dubbeltje bedraagt, is deze marge in Nederland bijna drie keer zo hoog.

Coopers & Lybrand (thans PWC) concludeerde in 1997 dat deze hoge kale prijzen in Nederland slechts ten dele verklaard worden door bijvoorbeeld extra milieumaatregelen of door het relatief grote aantal benzinestations. De toenmalige minister van Economische Zaken, H. Wijers, wakkerde de verdenking van prijsafspraken nog eens aan door te stellen dat de prijsverschillen met het buitenland niet het gevolg zijn ,,van toevallige omstandigheden, de verschillen lijken juist van structurele aard te zijn''.

Of er sprake is van toeval of dat er sprake is van ongeoorloofde prijsafspraken is heel moeilijk uit te maken op markten als de benzinemarkt. Vermoedelijk wordt dat bewijs ook niet geleverd door het onderzoek van de ECD dat nog altijd geheim is. Eergisteren zegde minister Korthals (Justitie) toe dat delen ervan vertrouwelijk naar de Tweede Kamer zullen worden gestuurd. Advocaat J. Vallenduuk van de vervoerdersorganisatie KNV die als belanghebbende beschikt over het ECD-rapport heeft inmiddels enkele tipjes van de sluier opgelicht.

Afgezien van de concurrent die voor de laatste prijzen een Shell-informatie lijn belde houden de ondervraagden zich van den domme. ,,De meesten zeggen dat het toeval is, dat de prijzen van hun oliemaatschappij die van marktleider Shell volgen'', zegt Vallenduuk. ,,Anderen weten van niets.'' De aanpak van de ECD is volgens Vallenduuk ook ,,nogal soft'' geweest, te zacht om de onderste steen boven te krijgen: ,,De ECD maakte keurig een afspraak met het hoofd juridische zaken van de oliemaatschappij. Als er in de vervoerssector verdenkingen van fraude zijn, worden hele bedrijven omgekeerd. Nu is er één inval gedaan en dat was bij een getuige.''